Door hun verenigingen zijn ze nu minder goed geïntegreerd

De Turken in Nederland doen het relatief goed, toch is er steeds meer kritiek op hun integratie in de samenleving. Dit heeft allebei te maken met het rijke verenigingsleven, schrijft Jaap Cohen.

Volgende maand is het vijftien jaar geleden dat publicist Paul Scheffer in NRC Handelsblad zijn spraakmakende artikel ‘Het multiculturele drama’ publiceerde. Hij uitte hierin stevige kritiek op hoe Nederland omging met de problemen die werden veroorzaakt door groepen immigranten die moeite hadden zich aan te passen aan de Nederlandse waarden en cultuur. Sinds Scheffer de knuppel in het hoenderhok gooide, zijn Nederlandse politici steeds verder gegaan in het uiten van kritiek. Symbool voor alles wat er mis was met de integratie waren onaangepaste Marokkaanse jongeren die de buurten van Nederlandse steden onveilig maakten. Termen als ‘kut-Marokkaantjes’ en ‘Marokkanenprobleem’ vielen – het integratiedebat werd steeds meer een Marokkanendebat. Afgelopen maart liet Geert Wilders een zaal met aanhangers zelfs ‘Minder, minder, minder [Marokkanen]’ scanderen.

Maar in de afgelopen weken stond een andere bevolkingsgroep centraal: de Turken. Zij worden doorgaans als een minder problematische groep gezien dan de Marokkanen. Turken hebben lagere geweldcijfers, relatief veel afgevaardigden in de politiek, en ze hebben veel zelfstandig ondernemers in de gelederen. Een – bekritiseerd – rapport van onderzoeksbureau Motivaction signaleerde echter dat Turks-Nederlandse jongeren veel vatbaarder voor de retoriek van IS zouden zijn dan Marokkaans-Nederlandse jongeren, en dat zij een uitgesproken Turks referentiekader zouden bezitten. De reactie van minister Asscher op het rapport, met als gevolg het uittreden van twee Kamerleden van Turkse afkomst uit de PvdA-fractie, leidde tot een mediastorm. Hierin kwam de Turkse gemeenschap naar voren als een gesloten, naar binnen gekeerde en weinig geïntegreerde bevolkingsgroep, waarbinnen een aantal sterk aan Ankara gelieerde verenigingen de dienst zou uitmaken. Juist deze verenigingen kregen het zwaar te verduren: omdat ze weinig transparant opereren wil Asscher ze de komende vijf jaar monitoren. Hoe kan het dat de Turken in Nederland het relatief goed doen, maar dat er tegelijkertijd aanzwellende kritiek is op hun integratie in de Nederlandse samenleving? Om antwoord te krijgen op deze vraag moeten we een halve eeuw terug in de geschiedenis.

In de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog overheerste de overtuiging dat Nederland overbevolkt was. Er was een babyboom geweest, en de industrialisatie had ervoor gezorgd dat in de landbouw en veeteelt minder banen waren te vinden. Het gevolg was dat tussen 1946 en 1960 zo’n 377.000 Nederlanders, veelal boeren, emigreerden naar het buitenland. Maar al snel bleek het met die overbevolking wel mee te vallen. De industrialisatie en wederopbouw leidden er juist toe dat er in de industrie veel werkgelegenheid was. Nederlandse bedrijven gingen zelfs over de grens kijken om werknemers te werven, vaak laagopgeleide arbeiders die in mediterrane landen als Italië, Portugal, Spanje, Joegoslavië en Griekenland te weinig verdienden om een gezin te kunnen onderhouden.

Een paar jaar goed verdienen en weer terug

Het duurde niet lang voordat ook Turken in het vizier kwamen. In 1964, dit jaar precies vijftig jaar geleden, sloot Nederland een officiële wervingsovereenkomst met Turkije. Turkse arbeiders konden zich vanaf dat moment aanmelden bij speciale arbeidsbureaus in de grote steden. Daar waren Nederlandse personeelschefs aanwezig, die hen met hulp van een tolk ondervroegen. En er volgde een uitgebreide medische keuring. Als ze daarvoor slaagden, stapten de Turkse arbeiders op de trein of in het vliegtuig. Ze verlieten hun vaak jonge gezinnen om in Nederland aan de slag te gaan in branches als de scheepbouw, de metaalsector of de auto-industrie. Een paar jaar goed verdienen, en dan weer terug naar Turkije – dat was de gedachte.

De Nederlandse bedrijven die Turkse arbeiders wierven, verplichtten zich om de Turkse arbeiders onderdak te bieden. Eerst vooral in pensions, maar al snel werden speciale woonoorden opgericht. Het grootste en bekendste woonoord was kamp Atatürk in Amsterdam-Noord, dicht bij de werf van de Nederlandsche Dok en Scheepsbouw Maatschappij (NDSM), waar veel Turkse arbeiders werkten. Kamp Atatürk – of ‘het Turkendorp’, zoals de Amsterdammers het woonoord in de volksmond noemden – bestond uit 33 barakken, waarin steeds zeven of acht Turkse arbeiders woonden.

‘Klein Turkije’ aan het IJ

Er ontstond een hechte mannengemeenschap, daar in Amsterdam-Noord. „Mijn kamergenoten waren bijna belangrijker voor me dan mijn eigen broers”, zegt een van de voormalige bewoners. „Het was één grote familie.” Hoewel het leven vooral uit veel werken bestond, waren er ook veel andere activiteiten: er werden Turkse films vertoond, feesten gegeven, en er werd muziek gemaakt. Ook veel Turken uit andere Nederlandse steden kwamen in het weekeinde vaak naar ‘Klein Turkije’ aan het IJ. Kamp Atatürk werd een soort cultureel ontmoetingscentrum, waar Turken samen konden praten, lachen en bidden in een aparte gebedsruimte. Na een aantal jaar kwam er zelfs een kok die Turkse maaltijden bereidde, in plaats van Hollandse prak.

De Turkse ‘gastarbeiders’ – een term die verwees naar de gedachte dat de arbeiders na een aantal jaar hard werken weer zouden terugkeren naar hun eigen land – hadden weinig omgang met Nederlanders. Natuurlijk, op het werk een beetje, en sommige Turken scharrelden wat met Nederlandse meisjes. Maar een sociaal leven hadden ze al, en dat bevond zich op het kamp. Bovendien vormde het taalverschil een te grote barrière: de Turken kregen slechts gedurende enkele maanden één uur per dag Nederlandse les, waarop ze vooral technische termen leerden die van pas kwamen bij hun werk.

Van 1965 tot 1973 kwamen zo’n 65.000 Turkse gastarbeiders naar Nederland – de meesten via de officiële werving. Dit in tegenstelling tot de gastarbeiders uit Marokko, die meestal spontaan en op eigen gelegenheid naar Nederland kwamen. Na 1973 – het jaar van de oliecrisis – stopte de werving; Nederland was in heel ander economisch vaarwater gekomen. Veel van de zware industriële bedrijven waar de gastarbeiders werkten, kregen het moeilijk. Zo ook de NDSM: die moest in 1978 haar deuren sluiten. Kamp Atatürk werd eveneens opgeheven. De Turkse arbeiders waren werkloos en hadden geen onderdak meer. Terug naar Turkije, zou je denken. Maar daar was de situatie evenmin florissant, en omdat de arbeidswerving was gestopt, betekende een terugkeer naar Turkije dat je je kansen op een nieuwe betaalde baan in Nederland voorgoed verspeelde. Veel Turken kozen dan ook voor het omgekeerde: ze lieten hun gezinnen uit Turkije overkomen naar Nederland en gingen wonen in oude wijken van de grote steden.

Verenigingen zorgden voor sociale cohesie

Door het uiteenvallen van woonoorden als kamp Atatürk leek ook de sociale cohesie binnen Turkse gemeenschappen te verdwijnen. Maar er werden Turkse organisaties opgericht die in het gat stapten. Verscheidene maatschappelijke en religieuze verenigingen hielden de verbondenheid binnen de Turkse gemeenschap in stand. Ze zorgden voor sociale controle in de wijken waar veel Turken woonden, en ze schiepen de voorwaarden waardoor de kinderen en kleinkinderen van de eerste generatie gastarbeiders zich goed konden ontwikkelen. Zo is het voor een groot deel aan deze verenigingen te danken dat van de criminaliteitscijfers van de vier grote migrantengroepen in Nederland, die van de Turkse groep al jaren het laagst is.

Turken zijn trots op hun cultuur, die ze vanaf hun komst naar Nederland hebben behouden en doorgegeven aan de volgende generaties. Het rijke verenigingsleven binnen de Turkse gemeenschap is misschien ten koste gegaan van hun integratie in de Nederlandse samenleving, maar heeft er, paradoxaal genoeg, wel voor gezorgd dat de problemen met de Turkse groep minder groot zijn dan met andere immigrantengroepen. Het is ironisch dat juist deze Turkse verenigingen, die voor een groot deel decennialang een belangrijke functie in de buurt en op het gebied van onderwijs hebben vervuld, nu een prominente plek in het ‘multiculturele drama’ krijgen toebedeeld.