De grootste sanering in de Nederlandse geschiedenis

Toneelgroep Maastricht speelt vandaag de toespraak na waarin Joop den Uyl de sluiting van de mijnen in Limburg aankondigt.

De Limburger schreef in december 1974: „Het is mooi voorbij met de Limburgse mijnen. Langer dan een mensenleven hebben ze het niet volgehouden.” Foto Hollandse Hoogte

Doodstil was het toen minister Joop den Uyl van Economische Zaken het spreekgestoelte in de Stadsschouwburg in Heerlen besteeg. Vrijdagmiddag 17 december 1965. In de zaal zaten 1.000 genodigden, hoewel er officieel maar plaats was voor 800. Op het podium, bijeengeperst, de Mijnindustrieraad. In de zaal de bisschop, het bestuur van de Nederlandse Katholieke Mijnwerkersvakbond, de overige bonden, de mijndirecties, de hoofdingenieurs, de burgemeesters en de gouverneur.

Den Uyl kondigde de sluiting van de steenkolenmijnen aan: „Geen mijnsluiting zonder redelijk perspectief op vervangende werkgelegenheid.” In de volksmond heette het: geen mijn dicht zonder ander werk. Zo zette, even na vier uur op die verregende decemberdag, Den Uyl een saneringsoperatie in gang die qua omvang uniek was voor Nederland.

Vanmiddag klinken in dezelfde zaal opnieuw de woorden van Den Uyl – die in de Mijnstreek de bijnaam ‘Den Oil’ kreeg vanwege zijn olievriendelijke beleid. Dit keer uitgesproken door Toneelgroep Maastricht. In de voorstelling blikt Europees commissaris en Heerlenaar Frans Timmermans vooruit naar 2065. Het is het begin van het Jaar van de Mijnen, waarin de mijnindustrie wordt herdacht.

De bijeenkomst vandaag is het begin van een jaar vol activiteiten. In de regio besteden bewoners en organisaties met initiatieven aandacht aan het verleden én de toekomst van de voormalige Mijnstreek. Maar het Jaar van de Mijnen gaat vooral over identiteit en het herwinnen van de trots.

In 1965 was er geen toekomst meer voor de mijnindustrie. Die had de concurrentie van goedkope kolen uit de VS en de strijd tegen olie en gas verloren. Daar veranderden advertentieslogans als ‘Gezellige mensen stoken kolen’ en ‘Alleen kolen geven leefwarmte’ niets aan.

Veertig jaar geleden, op 31 december 1974, haalden mijnwerkers de laatste steenkool – het zwarte goud – naar boven in de laatste nog geopende steenkoolmijn, de Oranje-Nassau I. Het was de mijn waarmee de ‘carboonkolonisatie’ in 1899 in het toen nog arcadische Zuid-Limburg was begonnen. Na 76 jaar was de industrie, die zoveel welvaart had gebracht, weer verdwenen. 75.000 mensen stonden op straat: 40.000 mijnwerkers en 35.000 werknemers uit aanverwante bedrijven.

De regionale krant De Limburger bood de lezers in december 1974 een ‘Afscheid van de Mijnen’ onder de kop ‘Glück Auf, Kop op’: „Het is mooi voorbij met de Limburgse mijnen. Langer dan een mensenleven hebben ze het niet volgehouden.”

De krant memoreerde dat er „verdomd hard gewerkt is daar beneden. Onder omstandigheden waarvan een buitenstaander geen weet heeft. Waar is evenzeer dat we hier verdomd hard willen blijven werken. Maar dan moet dat wel kunnen. En liefst in de buurt. Ons wordt nu, bij gebrek aan werk, te veel tijd gelaten aan de herinnering. Die is maar al te vaak te zoet. Want aangenaam was dat werken, daar beneden aan het kolenfront, niet.”

Natuurlijk was er hulp, maar die leidde niet tot de nieuwe arbeidsplaatsen die Den Uyl beloofd had. Hij bracht wel een subsidiestroom op gang die zijn weerga niet kende. ‘Den Haag’ stopte tussen 1965 en 1990 direct en indirect bijna 5 miljard gulden (2,26 miljard euro) in de regio.

Al dat geld voorkwam niet dat de Mijnstreek weggleed, niet alleen economisch, maar ook sociaal, cultureel en maatschappelijk. Wat ging er mis?

Eigen dynamiek

Niet lang na zijn toespraak verdween Den Uyl als minister. Zijn mijnnota was helder: de afbouw moest geleidelijk. Maar de confessioneel-liberale kabinetten na het kabinet-Cals sloten de mijnen sneller dan gepland. Daardoor belandden de mijnwerkers te vlug op de arbeidsmarkt, waar te weinig banen waren.

De mijnsluiting kreeg een eigen dynamiek. Het werd voor de mijnen die nog open waren steeds moeilijker, omdat nieuwe mijnwerkers bijna niet te vinden waren. Tegelijk stortte de markt voor huishoudkolen in 1967 compleet in. In 1969 werd in Nederland geen kolenkachel meer verkocht.

Het ging ook mis met de besteding van al die miljarden aan steun. Het opruimen van de resten van de mijnindustrie leidde tot grootschalige corruptie. De rest ging op aan uitkeringen, pensioenen, ambitieuze projecten die weinig blijvend werk opleverden en aan bedrijfssubsidies.

Tussen 1966 en 1972 vestigden zich 92 nieuwe ondernemingen. Veelal zwakke bedrijven die de vestigingspremies opstreken en failliet gingen. Daarbij kwam nog dat de economie vanaf 1972 inzakte.

Met de particuliere mijnen maakte de overheid afspraken over een herindustrialisatie van de Mijnstreek. De Oranje-Nassau Mijnen kregen vanaf 1967 jaarlijks miljoenen overheidssteun, waarmee de productie voor de eigenaren winstgevend bleef. In ruil verplichtte de onderneming zich om haar vermogen na sluiting „in principe een nieuwe industriële bestemming [te] geven in Nederland, bij voorkeur in Limburg.” Het bedrijf incasseerde het geld maar zorgde in de regio nauwelijks voor nieuw werk.

Een zegen voor Maastricht

Terwijl Heerlen en de rest van de Mijnstreek zich in de jaren zeventig en tachtig in een vrije val bevonden, waren de mijnsluitingen voor Maastricht een zegen. Door een uitstekende lobby wist de stad veel van de subsidie, bedoeld voor een nieuw perspectief voor de Mijnstreek, binnen te halen. Maastricht kreeg een academisch ziekenhuis, een universiteit, een congrescentrum, een prestigieus nieuw stadsdeel, een toonaangevend museum, twee grote bruggen over de Maas, een theater aan het Vrijthof en een geheel gerestaureerde binnenstad.

Heerlen profiteerde niet of nauwelijks. Hogeropgeleiden vertrokken, net als de creatieve elite. De kanslozen in hun mijnwerkerswijken bleven achter, gevangen in een uitkering.

Na ‘Den Oil’ groeide de machteloosheid. Tienduizenden ex-koempels koesterden met gekrenkte trots hun emotionele herinneringen aan de kameraadschap in ‘de koel’. In 1976 en 1979 verkocht dialectgroep Carboon 80.000 langspeelplaten met liedjes over mijnwerkers.

De sociaal-economische situatie is inmiddels verbeterd, maar het trauma van 1965 nog niet overwonnen. Voor een nieuwe toekomst wordt onder meer gekeken naar de groeiregio Aken, net over de Duitse grens.

In Heerlen zelf herinnert maar weinig aan de glorietijd. Daarvoor is te grondig gesloopt. Wel is het schachtgebouw van de mijn Oranje-Nassau I herbouwd. Daarop draait een schachtwiel, aangedreven door een elektromotor. Alsof er mijnwerkers en steenkool opgehaald worden. En vanaf het dak stralen ook na veertig jaar ‘s nachts nog steeds de letters ‘ON’.