CDA: participatie werkt niet zo

Participatiesamenleving van het kabinet is lege huls. Maak mensen eigenaar van omgeving, betogen Sybrand Buma en Ruth Peetoom

Illustratie Pavel Constantin

Nederland is een rijk, mooi en veilig land. Toch is de onvrede groot, over de zorg, het onderwijs, veiligheid, de belastingen, de integratie en de staat van het land. Zelfs in het dieptepunt van de financiële crisis maakten mensen zich niet alleen zorgen over hun eigen inkomen, hun huis of hun baan, maar bovenal over de manier waarop we met elkaar samenleven. De diepere oorzaak is het gebrek aan moreel kompas en een fundamenteel verkeerd idee van de samenleving.

De politiek heeft te lang de logica van overheid en markt laten prevaleren boven het vermogen van mensen om gezamenlijk zelf maatschappelijke vraagstukken op te lossen. Dat bleek een verkeerde keuze. De samenleving als solidaire gemeenschap, waarin mensen voor elkaar zorgen, is ondermijnd door de bestuurlijke reflex om elk risico met regels te dempen en elk vraagstuk tot staatsaangelegenheid te maken. Dan trekken mensen zich terug in eigen kring en staan als vreemden tegenover de ander. De ambitie om zelf problemen op te lossen is ontnomen: „Daar moet de overheid maar voor zorgen.”

Sinds de opbouw van de verzorgingsstaat was dit staatsdenken leidend: ieder probleem is politiek, regels zijn belangrijker dan mensen en verschillende gevallen moeten altijd gelijk worden behandeld. De medemenselijkheid kwam in de knel; burgers werden nummers, bij voorbaat gewantrouwd. Met elke nieuwe regel en bijbehorend toezicht werd de invloed van de overheid groter. Er ontstond afhankelijkheid. Inmiddels ontvangt 90 procent van de huishoudens één of meer sociale toeslagen van de overheid. Het is niet vreemd dat mensen in die afhankelijkheid gaan geloven en zich er ook naar gaan gedragen.

Toen in de jaren tachtig de logica van de overheid duidelijk niet meer werkte, zocht de politiek haar heil in de logica van de markt. Bedrijfskundige criteria als effectiviteit en efficiency werden de argumenten om voor of tegen iets te zijn. De mens was een homo economicus: een calculerende burger. Op basis van dat mensbeeld is de samenleving bestuurd met de foutieve veronderstelling dat alleen objectieve criteria als doelmatigheid en doeltreffendheid kunnen bepalen wat goed en fout is.

De macro financieel-economische cijfers en de micro koopkrachtplaatjes bepaalden het succes van het beleid, waarmee de politiek een eigen systeem schiep, dat steeds vaker afweek van de belevingswereld van haar burgers. De werkelijkheid is complexer dan een rekenmodel.

Het nuttigheidsdenken verspreidde zich als een olievlek. Het snelle geld deed zijn intrede. Bedrijven en banken richten zich op winstmaximalisatie voor de korte termijn en verloren hun maatschappelijke rol op lange termijn uit het oog. De vraag wat iets opleverde was belangrijker dan de vraag wat iets echt waard was.

Maar ook overheidsorganisaties en instellingen met een publieke taak zoals scholen, wooncorporaties en zorginstellingen werden blootgesteld aan de logica van de markt. Termen als input en output werden gemeengoed in de schoolklas en ziekenzaal. Boven de onderwijzers en de verpleegsters werden managers aangesteld, die targets stelden in financiële of tijdseenheden in plaats van aandacht voor de mensen voor wie deze organisaties bestaan. Met elke fusie of schaalvergroting raakten scholieren, studenten, ouders, huurders en patiënten steeds verder vervreemd. Er ontstond een nieuwe bureaucratische werkelijkheid van toezichthouders, inspecties en marktmeesters.

In diezelfde fundamenteel onjuiste opvatting van de samenleving is ook het idee van de participatiesamenleving van het kabinet-Rutte II niet meer dan een ander woord voor bezuinigen en gedoemd te mislukken. Op de bezuinigingsdoelstelling werd het etiket van de participatiesamenleving geplakt. De burgers kijken daar genadeloos doorheen. Een politiek die de participatie predikt en een streep zet door de maatschappelijke stage of de partnertoeslag, laat zien dat ze het niet heeft begrepen. Zolang politici niet zien dat mensen uit zichzelf begaan zijn met de mensen om hen heen en politici niet snappen dat de overheid ruimte moeten laten in plaats van regels te stellen, is ieder pleidooi voor meer verantwoordelijkheid gratuit.

De politiek moet pleiten voor een andere overheid, in plaats van andere burgers; een bescheiden overheid die ruimte laat en mogelijkheden biedt. Een visie die uitgaat van de waarde en uniciteit van ieder mens en zich verzet tegen de reductie van de burger tot willoos instrument. Een beleid tegen de focus op winst voor de korte termijn en vóór aandacht voor de werkelijke waarde op de lange termijn. En een pleidooi tegen de anonimiteit van de grootschaligheid en vóór de verbondenheid van de menselijke maat en tegen de anonimiteit van grootschaligheid.

Dat is de denkrichting in de rapporten van de metagroepen Waarden, Democratie en Maatschappelijk initiatief, een richting voor het CDA: een politiek van waarden, ruimte voor mensen om verantwoordelijkheid te nemen en invloed om mee te beslissen.

Het CDA bedrijft politiek vanuit een visie over wat goed en slecht is voor onze samenleving, gebaseerd op onze uitgangspunten en de praktische waarden die Nederland vanuit haar traditie en historie hebben gevormd: in de zorg voor elkaar, de opdracht dat iedereen een taak heeft, in het streven naar een eerlijke economie en het principe dat niet het nu, maar de toekomst van onze kinderen voorop staat.

Tegenover de lege huls van de participatiesamenleving van het kabinet, zetten wij een betrokken samenleving, waarin mensen kunnen én willen bijdragen. Die betrokkenheid maakt mensen weer ‘eigenaar’ van hun eigen omgeving. Als antwoord op de misstanden bij scholen en wooncorporaties valt de keuze te snel op meer controle en meer regels. Dat is verkeerd. Scholen, zorginstellingen en wooncorporaties moeten worden teruggegeven aan de mensen. Een woningcorporatie, waar de huurders echt wat te zeggen hebben, zal niet snel overgaan tot de aankoop van een cruiseschip. Zo simpel is het.