Bidden met je voeten

Schrijfster Pia de Jong verhuisde met haar gezin van Amsterdam naar Princeton, in de Verenigde Staten. Ze schrijft over wat haar opvalt.

Illustratie Eliane Gerrits

Je kunt niet om haar heen. Letterlijk. Een jonge zwarte vrouw met wel honderd vlechtjes ligt midden op de vloer van de Starbucks. Ze kijkt strijdlustig. Een frêle blanke dame in mantelpak met een tas vol papieren over haar schouder houdt een stoelleuning vast. Ze weet niet hoe ze bij de kassa kan komen om haar koffie te bestellen. Moet ze over het meisje heenstappen? Twee zwarte jongens, die vanuit de keuken het tafereel gade hebben geslagen, komen erbij en gaan ook op de grond liggen. Wat nu?

De twee vrouwen kijken elkaar aan. De blik van de zwarte vrouw is fel. Probeer nu maar eens te doen alsof ik niet besta, lijkt ze te zeggen. De blanke vrouw twijfelt even en draait zich dan abrupt om. Ontstemd verlaat ze de winkel.

Ook in Princeton wordt vandaag een die-in gehouden. Zo’n 350 mensen hebben twee winkelstraten in beslag genomen uit protest tegen het politiegeweld dat tot de dood van Michael Brown en Eric Garner heeft geleid.

Zwarte mensen zijn in deze stad grotendeels onzichtbaar. Je ziet ze niet in dure winkels, tenzij buiten openingstijd als ze de zaak schoonmaken. Je ziet ze niet in goedkope winkels, tenzij ze achter de kassa staan. Je ziet ze nauwelijks op de scholen, simpelweg omdat in Princeton wonen voor zwarte gezinnen niet te betalen is. Vanaf de geboorte zitten ze op een ander spoor dat deze stad niet kruist.

Later zie ik haar weer, de jonge vrouw met de vlechtjes, wanneer de protesteerders vierenhalve minuut stilte houden, symbolisch voor de vierenhalve uur dat Michael Brown in Ferguson doodgeschoten op straat lag. Ik nodig haar uit voor koffie in dezelfde Starbucks. Alles is weer bij het oude. Ze komt uit Chicago, uit dezelfde buurt waar Michelle Obama opgroeide. Nu studeert ze aan het theologisch seminarium in Princeton waar ze wordt opgeleid tot dominee.

„Hoe vond je het om hier op de grond te liggen?”, vraag ik.

„Ik werd gezien”, antwoordt ze. „Dat voelde ongelooflijk goed. Even konden jullie niet om me heen.” Strijdlustig kijkt ze me aan. Ik ben me plotseling erg bewust van mijn blanke huid.

„Zwarte levens doen er nog altijd niet toe”, gaat ze verder. „Ik ben ziedend over de achteloosheid rondom de dood van Michael Brown. Een aangereden hert zou hier nog geen twintig minuten op de straat liggen, maar om een zwart kind op de straten van Ferguson bekommert niemand zich.”

„Weet je dat Darren Wilson, de agent die hem doodschoot, een half miljoen heeft gekregen van ABC voor een interview?” Weer verschijnt die felle blik in haar ogen. „Het hele juridische systeem deugt niet. Het moet tot op de bodem worden afgebroken. Er moet boete worden gedaan voor wat ons zwarten is aangedaan.”

„Mijn hart bloedt voor Eric Garner”, vervolgt ze. „Hij is de Jezus van deze tijd. Zijn moeder was een tiener, net als Maria. Jezus kwam uit de getto’s van Nazareth, Eric uit de achterbuurten van New York. Jezus werd door de staat ter dood veroordeeld en stierf door verstikking. Eric ook. Ze waren allebei een nobody. Hoe kan ik Jezus aanbidden maar zwijgzaam toestaan dat deze man zonder consequenties vermoord wordt? Geloof zonder politiek is bloedeloos.”

Haar telefoon piept. Een vriend sms’t over een demonstratie in New York City. Ze staat direct op.

„Ik moet erheen”, zegt ze. „Protesteren is bidden met je voeten.”