Arrest loopt vooruit op zaak-Wilders

De Hoge Raad stelde gisteren striktere grenzen aan de vrijheid van meningsuiting van politici. Het OM is verheugd.

Binnen het Openbaar Ministerie zijn ze ervan overtuigd: het hoogste rechtscollege heeft gisteren via een omweg PVV-leider Geert Wilders willen toespreken. „Ook uitlatingen die aanzetten tot onverdraagzaamheid” kunnen „onnodig grievend” en dus strafbaar zijn, staat in een arrest dat de Hoge Raad wees.

De uitspraak van de Hoge Raad volgt in een zaak tegen de in Paramaribo geboren maar in Amsterdam actieve politicus Delano Felter, lijsttrekker van de Republikeinse Moderne Partij. Deze man had zich in februari 2010 op een politieke bijeenkomst voor de gemeenteraadsverkiezingen en voor de zender AT5 beklaagd over „agressieve homofielen”. Homoseksuelen, „mensen met een seksuele afwijking”, hebben een te „dominante” positie in het bestuur en bij de politie in Amsterdam. Ze moeten „opsodemieteren”.

Na aangiftes van onder meer het COC wilde het OM dat Felter werd veroordeeld tot een werkstraf van veertig uur en een week voorwaardelijke cel. Rechtbank en gerechtshof spraken Felter vrij. Het hof vond in januari 2013 dat de uitlatingen vallen binnen de vrijheid van meningsuiting omdat ze werden gedaan door een politicus „in het kader van een publiek debat over een zaak van algemeen belang”.

De Hoge Raad wijst die uitleg van het gerechtshof nu van de hand. De hoogste rechter oordeelt dat een politicus in een publiek debat weliswaar veel aan de orde kan stellen en ook mag kwetsen, choqueren of verontrusten. Maar dat hij anderzijds de verantwoordelijkheid draagt „om te voorkomen dat hij uitlatingen verspreidt die strijdig zijn met de wet en met de grondbeginselen van de democratische rechtsstaat. Daarbij gaat het niet uitsluitend om uitlatingen die aanzetten tot haat of geweld of discriminatie maar ook om uitlatingen die aanzetten tot onverdraagzaamheid”, aldus de Hoge Raad.

Een politicus kan dus volgens de Hoge Raad strafbaar handelen als hij met zijn betoog intolerantie veroorzaakt. Dat opent perspectieven voor het Haagse Openbaar Ministerie, dat een strafzaak voorbereidt tegen PVV-leider Geert Wilders voor zijn uitspraken over „meer of minder Marokkanen”.

Tussen de zaak-Felter en de casus van Wilders bestaan de nodige parallellen. Beide politici spraken op een politieke bijeenkomst aan de vooravond van gemeenteraadsverkiezingen in een horecagelegenheid. Ze spraken allebei hun voorkeur uit voor minder medemensen: homoseksuelen respectievelijk Marokkanen. En beide politici beriepen zich op de vrijheid van meningsuiting. „Ik zal me nooit door iemand de mond laten snoeren. Tegen geen enkele prijs en door niemand, wat de gevolgen ook mogen zijn”, zei PVV-leider Geert Wilders eerder deze maand in een verklaring die hij aflegde bij de rijksrecherche.

Dat een politicus een vrijwel absoluut recht op vrijheid van meningsuiting zou hebben, geldt volgens de advocaat-generaal bij de Hoge Raad, Geert Knigge, als het scherpe „kritiek betreft op autoriteiten”. In een democratische samenleving moeten autoriteiten „kritiek verdragen en zeker niet in de kiem smoren met strafrechtelijke procedures wegens belediging”, oordeelde Knigge in zijn conclusie aan de Hoge Raad.

Maar dat geldt volgens Knigge niet als het gaat om „denigrerende uitlatingen” ten aanzien van minderheidsgroepen. „Daarvoor dient in een democratie juist heel weinig ruimte te zijn. Dergelijke uitlatingen dreigen namelijk de democratie en de daaraan inherente mensenrechten – waarvan het funderend principe de menselijke waardigheid is die aan ieder individu wordt toegedacht – te ondermijnen”, aldus Knigge. „Politici zouden veeleer voorop moeten gaan in de bestrijding van deze vormen van discriminatie.”

Dat laatste klinkt het Openbaar Ministerie als muziek in de oren. Waarschijnlijk nog voor de Kerst besluit het OM dat Wilders zich als verdachte voor de strafrechter zal moeten verantwoorden wegens het beledigen van mensen op grond van hun ras en het aanzetten tot discriminatie en haat.