Tekeningen zijn informatiever dan woorden

Vanaf vandaag toont het Persmuseum een tentoonstelling over journalistieke verhalen in stripvorm. Subjectief, maar een stuk doeltreffender dan een artikel.

Joe Sacco: ‘Tsjetsjeense oorlog, Tsjetsjeense vrouwen.’ Gepubliceerd in 2008.

‘Stripjournalistiek is slow journalism”, aldus tekenares Eva Hilhorst. Hilhorst verzorgt de getekende inleiding bij de expositie over stripjournalistiek, die vandaag opent in het Persmuseum in Amsterdam. In een bescheiden overzicht is te zien dat dit nieuwe genre ondanks zijn trage motoriek voor verdieping, beeldende observaties en treffende persoonlijke details kan zorgen.

Ingewikkelde onderwerpen op een heldere, aantrekkelijke manier presenteren, geeft Hilhorst als verklaring voor de kracht van de journalistieke strip. Haar Vlaamse collega Jeroen Janssen is concreter: „Tekeningen kunnen in een oogwenk veel meer informatie bieden dan woorden.” Het beste antwoord komt van Joe Sacco, de aartsvader van het genre, in een video over zijn recente boek The Great War, over de slachting onder Britse soldaten bij de slag om de Somme. Als hij ze tekent worden ze individuen, zegt Sacco. „Je geeft ze een leven, een moeder, een lief, en dan stuur je ze de loopgraven in.” Oftewel: een striptekenaar kan als geen ander een onderwerp persoonlijkheid en eigenheid meegeven.

Deze subjectieve vorm van journalistiek verdedigde Sacco (Malta, 1960) al eens eerder hartstochtelijk, in de inleiding van zijn verzamelde korte stripreportages (Reportages, 2011). Daarin verzet hij zich tegen het ‘slaafse streven’ naar ‘kille objectiviteit’ en ‘evenwichtigheid’. In zijn werk brengt Sacco tot uitdrukking dat reporters „neutraal en onbevooroordeeld de kant van hen die lijden behoren te kiezen”. In het Persmuseum hangt zijn indringende reportage over Tsjetsjeense vluchtelingen in een kamp in Ingoesjetië. Sacco schrijft over hun deerniswekkende omstandigheden. Van de vrouwen die over hun ervaringen vertellen zie je aan elke vouw in hun gezicht de pijn en frustratie af.

Langzamerhand krijgen stripjournalisten steeds meer voet aan de grond, ook in Nederland. Een mooi voorbeeld is strip over Afghanistan waar Jules Calis (1985) aan werkt. De eerste proeven ogen veelbelovend. Met de rechtbanktekeningen van Aloys Oosterwijk en de getekende interviews van Floor Rieder laten de samenstellers van de expositie zien hoe breed de stripjournalistiek opgevat kan worden. Van Jeroen Janssen hangen er prachtig geschilderde platen uit zijn boek Doel, over het dorp dat zich verzet tegen de uitbreiding van de Antwerpse haven.

Van Jan Rothuizen, die onder meer werkt voor de Volkskrant, is een grote tekening te zien van het Syrische vluchtelingenkamp Domiz in Koerdisch Irak. Rothuizen maakt een soort overzichtskaart, volgekrabbeld met details over wie waar woont en werkt, voorzien van zijn vragen en opmerkingen. Dat dichtgeslibde zwart-wit beeld heeft de ontoegankelijkheid van een ingewikkelde grafiek, maar wie de moeite neemt krijgt veel informatie.

Het aardige van de expositie is dat er over hetzelfde door de VN beheerde kamp een stripreportage hangt van de Duitser Olivier Kugler. Zijn aanpak zit tussen die van Sacco en Rothuizen in. Kugler kiest voor mensen, die hij vol in kleur tekent. Hun relaas zet hij op één pagina, die hij net als Rothuizen volschrijft. Schrijnend, de 55-jarige timmerman Mohammed, die vluchtte uit Damascus nadat een helikopter zijn wijk lukraak bombardeerde. Onderweg was hij doodsbang voor verkrachting van zijn zeven dochters en nu treurt hij om zijn vrouw die de armoedeval niet aankan en depressief is. In een oogwenk leer je bij Kugler een groep vluchtelingen kennen.

Doodzonde dat zo’n reportage wel in de VS, Frankrijk en en Duitsland wordt gepubliceerd, maar niet hier. Werk als dit, en dat is een compliment aan de expositie, moet de krant in.