Polderen met bedrijven, milieu wordt daar heus niet beter van

Klimaatdoel stel je niet voor de sier, aldus Pieter Pauw en Sander Chan.

Op weg naar een nieuw wereldwijd klimaatakkoord heeft de rest van de wereld het polderen ontdekt. Het is nodig dat iedereen meedoet, maar risico’s zijn er ook.

Op de klimaattop voor regeringsleiders in New York in september riep Ban Ki-Moon het bedrijfsleven en het maatschappelijk middenveld op om concrete initiatieven en doelstellingen te ontwikkelen voor een CO2-neutrale en klimaatbestendige toekomst. Bedrijven reageerden snel. Zo beloofde McDonald’s vanaf 2016 te beginnen met de inkoop van duurzaam rundvlees, maakte een coalitie van bedrijven, investeerders, overheden en banken bekend 200 miljard dollar te mobiliseren om in klimaatinitiatieven te steken en zegden enkele grote oliebedrijven toe om emissies van methaan terug te dringen.

Fantastisch nieuws, want het is alle hens aan dek. Na 20 jaar klimaatonderhandelingen is duidelijk dat overheden het probleem niet alleen kunnen oplossen. Maar er kleven ook risico’s aan een klimaatstrategie die te veel steunt op maatschappelijke partijen. En ervaringen in Nederland en internationaal zijn soms ronduit slecht. Zelden werden echt ambitieuze doelstellingen afgesproken. En bij gebrek aan een stok achter de deur blijft het voor sommige maatschappelijke partners interessant om wel te pronken met een akkoord, maar het vervolgens niet na te leven.

Nederland heeft veel ervaring met maatschappelijke initiatieven en convenanten. Meest relevant is het Energieakkoord, door staatssecretaris Mansveld genoemd als typisch voorbeeld van succesvol polderen. Maar juist daardoor is het energieakkoord volgens critici een ‘krachteloos compromis’. De ambitie om 14 procent duurzame energie te produceren in 2020 is inderdaad lager dan de 16 procent uit het regeerakkoord. Daarna wordt de ambitie zelfs afgevlakt. Het akkoord staat al sinds de ondertekening onder druk en het rommelt in de coalitie. Het is nog maar de vraag of gestelde doelen gehaald gaan worden. Als zelfs in Nederland het polderen in klimaatbeleid niet werkt, hoe kunnen we verwachten dat het op internationaal niveau wel een succes wordt?

Op de VN-wereldtop voor duurzame ontwikkeling in Johannesburg in 2002 werden 250 duurzame partnerschappen tussen overheden, bedrijven en organisaties gesloten. Achteraf blijkt dat bijna de helft slechts op papier bestaat. De beloofde honderden miljoenen aan investeringen bleven uit, of waren bestaande investeringen waar een groen label op werd geplakt. Ze gaven regeringen bovendien een excuus om niet te reguleren, terwijl vervuilende bedrijven goede sier konden maken met ‘groene’ initiatiefjes.

Hoe kan worden voorkomen dat het weer mis gaat? Strengere richtlijnen zouden een mooi begin zijn. Eis dat erkende klimaatinitiatieven regelmatig rapporteren over hun activiteiten. Rapportage bevordert ook het uitwisselen van ideeën. Zij die niet rapporteren, of niet aantoonbaar werk afleveren, mogen niet door de VN als klimaatinitiatief erkend worden. Tot de opties behoort ook een ombudsman voor maatschappelijke klimaatinitiatieven die toezicht houdt en beoordeelt of zij voldoende ambitieuze bijdragen leveren.

Nederland kan alvast het goede voorbeeld geven. Enkel wanneer maatschappelijke klimaatinitiatieven voldoen aan minimale kwaliteitseisen, kan het polderen leiden tot hogere ambities en kosteneffectieve oplossingen. En de Nederlandse regering moet natuurlijk niet vergeten ook hoge ambities voor een klimaatbestendige toekomst na te streven.