Plek voor werkervaring is niet meer dan uitbuiting

De kwakkelende economie wordt uiteindelijk te eenzijdig afgewenteld op starters, vindt Sjoerd Korsuize.

Illustratie Hajo

Een relatief nieuwe uitvinding begint zich steeds meer in te bedden in de Nederlandse arbeidsmarkt: de werkervaringsplaats. Die biedt personen – in het algemeen net afgestudeerden, starters die niet aan een betaalde baan kunnen komen – de kans om in een organisatie werkervaring op te doen. Dit lijkt op een stage. Maar een stage is een onderdeel van een opleidingsprogramma. De werkervaringsplaats vindt juist plaats na afloop van de opleiding.

Het idee achter de ervaringsplaats klinkt nobel. Het is een manier voor iemand die niet aan een baan kan komen om – zoals de naam al doet vermoeden – werkervaring op te doen. In het gunstigste geval zelfs relevante werkervaring.

Juist het gebrek aan werkervaring is voor starters vaak een reden om afgewezen te worden bij sollicitaties, of om überhaupt niet in aanmerking te komen voor veel functies. Verder is de werkervaringsplaats een manier om een gat op het cv te beperken. Een ander voordeel is dat het vervullen van een dergelijke plek een manier is om een netwerk op te bouwen. Ook kan zo’n plaats zelfs leiden tot een heuse betaalde baan binnen de betreffende organisatie. Maar dit is absoluut geen garantie. Meer in het algemeen is het gewoon fijner voor een ambitieus iemand om actief te participeren dan om eenzaam thuis te reageren op vacatures.

Behalve dat de werkervaringsplaats de niet-aan-de-bak-komende-starter voordelen biedt, geeft het de aanbieder ervan ook een groot voordeel: het is namelijk erg voordelig. De werkgever krijgt zo goed als gratis een ambitieuze, net afgestudeerde en mogelijk zelfs competente werknemer. Een win-winsituatie, zou je zeggen. Toch is de praktijk weerbarstiger. De werkervaringsplek is vooral een onrechtvaardig fenomeen en doet in veel bedrijven zijn intrede. Niemand wil werk doen om daar vervolgens niet fatsoenlijk voor betaald te worden. Ook de starter niet. Zelfs niet als hij of zij alle voordelen ervan ervaart.

In de meeste gevallen biedt de werkervaringsplaats exact het type werk dat voor de uitbraak van de crisis nog wel gewoon betaald werd. Werkgevers – in alle segmenten van de economie: van multinationals tot culturele instellingen, van adviesbureaus tot gemeenten – spelen hier listig op in. Onder de vlag van maatschappelijke betrokkenheid zien ze hun kans schoon om tegen een minimale vergoeding hoog opgeleide jongelui voor de betreffende organisatie noodzakelijk werk te laten uitvoeren. Denk aan projectassistentie, data-entry of zelfs het schrijven van volledige beleidsnotities die alleen nog redactie van de senior behoeven.

De pas afgestudeerde heeft vaak weinig keus. Een werkervaringsplek vervullen is in veel gevallen de enige manier om ooit nog een fatsoenlijke baan te krijgen. De concurrentie is immers moordend, het is niet ongebruikelijk dat op een doodgewone startersvacature meer dan honderd geïnteresseerden reageren. Omdat de werkervaringsplek geen inkomsten genereert (in het gunstigste geval krijg je een reiskostenvergoeding) en iemand die afgestudeerd is geen studiefinanciering meer ontvangt, dien je ernaast ook nog een betaalde baan te hebben; bijvoorbeeld als barman, winkelbediende of callcentermedewerker.

In combinatie met je studiefinanciering was twee avondjes in de week werken nog wel afdoende, maar nu zal je echt elk weekend en meerdere avonden in de week moeten werken om het hoofd boven water te houden. Althans: als je geluk hebt, want ook dit soort banen is steeds moeilijker te krijgen. Het resultaat is dat iemand met een werkervaringsplek vaak veel meer dan veertig uur per week aan het werk is, om vervolgens nauwelijks rond te kunnen komen. Er is geen vastgestelde termijn op deze grote belasting, immers: een werkervaringsplek leidt niet noodzakelijkerwijs tot een betaalde baan.

Machteloze speelbal

De ‘werkervaringsplekker’ is verworden tot machteloze speelbal in een arena van opportunistische werkgevers, gefaciliteerd door een wegkijkende, gedogende overheid. In het bedrijfsleven is zo’n plek onder het motto van marktwerking misschien nog wel te verantwoorden.

Waar het wringt is dat lokale en landelijke overheidsinstellingen – of door de overheid gesubsidieerde organisaties – dit principe van onbetaalde arbeid niet alleen gedogen, maar ook zélf aanbieden. Ze participeren actief in de uitbuiting van een steeds groter wordende groep kansarme pas afgestudeerden, en dit is schokkend.

Zo wordt de kwakkelende economie te eenzijdig afgewenteld op starters. Bovendien wordt er op deze manier op de lange termijn een perverse arbeidsmarkt gecreëerd, waarin het normaal wordt gevonden dat functies die wij voorheen startersfuncties noemden, nu meer en meer definitief onbetaald werk zullen blijven.

Daarbij worden laaggeschoolde jongeren verdrongen door hun hoogopgeleide leeftijdgenoten doordat deze nu veel langer hun banen – ooit bedoeld als studentenbijbanen – bezet houden.