Column

‘Meer weten’ is een lus van toenemende wrevel

Eigenlijk zomaar, zonder enige aanleiding, heb ik Goethe in mijn hoofd. Ik mik nergens meer op, zegt Goethe. En dat werkt fantastisch. ‘Ich hab’ mein Sach’ auf Nichts gestellt, / Juchhe! / Drum ist’s so wohl mir in der Welt. / Juchhe!’ Van vrouwen heb je maar last, van geld komt ellende, van roem raakt je omgeving verongelijkt en in de oorlog verlies je zomaar een been. Dus mik ik op niets meer en drink nog wat wijn. ‘Und wer will mein Kamerade sein, / Der stoße an, der stimme mit ein.’

Nou, dat lijkt mij ook wel wat. Mikken op niets. Vandaar dus dat ik besluit helemaal nergens iets van te vinden, vandaag, en ik ga er maar eens goed voor zitten. Ik proost op Goethe, neem nog een slok en dan blijkt dat je niet ongestraft de la met genieën open kunt schuiven: Virginia Woolf steekt haar hoofd over de rand en grijpt de kans iets over Shakespeare te zeggen.

Het is de verdienste van Shakespeare, zegt Woolf, dat hij ons niet verveelt met zijn eigen zaken. ‘Iedere wens om te protesteren, om te preken, om een belediging uit te venten, om een rekening te vereffenen, om de wereld getuige te laten zijn van een last of een grief’, is uit hem verdreven en verteerd. Dit leidt tot vrij, gaaf schrijven, waarin de schrijver onzichtbaar wordt.

Fijn, nu heeft Woolf mijn opdracht meteen een stuk zwaarder gemaakt. Op niets mikken blijkt dus helemaal niet zo simpel. Shakespeare kon in zijn teksten nog vrij, gaaf en onzichtbaar zijn, omdat hij het geluk had veel dingen simpelweg niet te weten, legt Woolf uit. Maar latere schrijvers hebben weet van hun eigen belabberde positie in de wereld en die verslikken zich daarom al gauw in hun verongelijktheid en wrok. Shakespeare, zou je in termen van de late twintigste eeuw kunnen zeggen, had het voordeel van de vroege geboorte.

Kennelijk zit het zo. Hoe meer schrijvers weten van de wereld, hoe verongelijkter ze worden. En hoe verongelijkter ze worden, hoe zichtbaarder en aanweziger ze zijn in hun woorden. En hoe zichtbaarder de schrijvers, hoe geërgerder de lezers. Het is een lus van toenemende wrevel.

Hoewel ik me heb voorgenomen nergens iets van te vinden vandaag, moet ik nu toch concluderen dat onze hedendaagse, optimistische moralisten ongelijk hebben met hun jubel dat binnenkort ieders fouten aan het licht zullen komen. Wat een feestelijk moment zal dat zijn, juichen ze. Alle egozwaktes, alle tekortkomingen van ieders persoonlijkheid komen weldra op straat. Het kan niet anders, of die transparantie leidt tot een betere maatschappij.

Ze hebben ongelijk. Zoals openheid over hoge salarissen leidt tot steeds hogere salarissen, zo zal openheid over morele zwaktes leiden tot steeds meer morele zwaktes. Weten wat je baas verdient, roept het verlangen op zelf nog meer te verdienen. Weten welke imperfectie je bestuurder zich permitteert, leidt tot het verlangen nog imperfecter te worden. Het is een rechtvaardigheidsstreven dat verdacht veel lijkt op besmetting.

‘Loopt het onkreukbare imago van de vicepremier een deuk op?’ vraagt Het Parool op de voorpagina verlekkerd. Het antwoord binnenin luidt ‘nee’. Maar intussen heb ik al verontwaardigd uitgeroepen dat ik ook een deuk wil in mijn onkreukbare imago. Wat heeft de vicepremier dat ik niet heb? Voor je het weet begin ik te protesteren, te preken en zit mijn humeur de zaak in de weg.

Ook de Duitse krant Die Zeit stelt deze week de vraag of al onze karakterzwaktes aan het licht moeten komen. Ze raken er bij Die Zeit helemaal van in de war. Online schrijven ze nog boos over de NSA en het bespioneren van ‘Millionen Unschuldiger’. Maar op de voorkant van de papieren editie roepen ze luidkeels dat er geen onschuldigen bestaan. Wat we zeggen en schrijven verraadt alles – ‘fast alles’ – schrijven ze. Onze woorden verraden ons karakter, onze leugens en onze hartstochten. Hoezo onschuldig? Zodra je gaat wroeten, komt er altijd wel iets boven.

In het wetenschapskatern tonen onderzoekers zich geestdriftig over dat wroeten. Wat je allemaal niet te weten kunt komen door met software simpelweg iemands woorden te tellen! Uit de frequentie waarmee sprekers bijwoorden, vraagwoorden, ontkenningen en conjuncties gebruiken, komt hun persoonlijkheid naar voren. Niet alleen de wetenschap, ook de geheime dienst is in de techniek geïnteresseerd.

Het kan niet anders, denk ik, of dit tellen ontmaskert straks zelfs in het werk van Shakespeare de wrevels en de antipathieën, waarvan Virginia Woolf nog kon zeggen dat ze ze gelukkig niet kende. Honderd jaar na Woolf is het de taak van de lezer zich van dit morele detectivewerk niets aan te trekken, en de Shakespeariaanse humeuren zo snel mogelijk weer te vergeten.

Want hoe verleidelijk het ook is: je kunt maar beter niet alles van elkaar weten.