Groenendijk is vilein en oprecht

Richard Groenendijk opent zijn nieuwe programma met de showbiz-pathetiek van de oude Shirelles-hit Will you still love me tomorrow en frommelt onverhoeds een zijdelingse opmerking tussen de regels van het lied door: „Ik weet niet wat jullie ervan denken, maar ik vind het tot dusver een indrukwekkende opening”. Dat typeert hem: hij kan in volle ernst iets beweren of schaamteloos zijn sentimenten de vrije loop laten, maar dan opeens spottend de ban verbreken. Zo springt hij van de hak op de tak, terwijl hij toch de illusie van samenhang weet te scheppen. Omdat hij beide kanten – de oprechte cabaretier en de vileine entertainer – in zich heeft.

Ook in Met de mantel der liefde lijkt Groenendijk dicht bij zichzelf te blijven. Hij vertelt familieverhalen, dist privéanekdotes op en zingt enkele bijpassende liedjes. Openhartig praat hij over de wending die zijn loopbaan nam sinds zijn vorige theatersolo werd bekroond met de Poelifinario voor het beste cabaretprogramma van 2011. Jarenlang werkte hij „voor anderhalve man en een paardekop in Schubbekutterveen” zonder ooit op de televisie te mogen. Geen wonder, zegt hij, dat hij vervolgens alle tv-aanbiedingen aannam die op zijn pad kwamen: „En ik vond het enig, allemaal.” Om daar vervolgens weer een handvol verhalen over te houden die hij tot hilarische proporties opblaast door zijn kwistige gebruik van kluchtige hyperbolen. Over een dikke tante: „Waar je ook zat in de kamer, je zat er altijd wel naast.”

Soms lijkt het bijna alsof Groenendijk, in de regie van Wimie Wilhelm, maar wat staat te kwebbelen. Maar zijn tournures zijn onnavolgbaar, en ze komen steeds uit een onverwachte hoek.