Anneke Brassinga’s geestverruimende poëzie

Dichter Anneke Brassinga (66), onderscheiden met de P.C. Hooftprijs, wil met haar poëzie de lezer ‘aanraken, hinderen en steken’.

Wie poëzie van Anneke Brassinga leest, stapt binnen in een geestverruimend heelal van taal. Met die motivatie is de 66-jarige dichter vanmorgen onderscheiden met de belangrijkste literaire prijs van Nederland, de P.C. Hooftprijs. Brassinga, die ook vertaalt en proza schrijft, wordt bekroond voor haar hele poëtisch oeuvre. Ze hoorde het nieuws van de toekenning gisteren in Berlijn. „Ik stond in de regen buiten een café toen ik werd gebeld. Ik was totaal verrast.”

Anneke Brassinga is het soort dichter dat woorden met het grootste genoegen uit hun gebruikelijke verbanden rukt om eens te kijken wat er in een andere context aan te beleven is. Dat maakt haar werk onvoorspelbaar, fascinerend en niet per se vrolijk. Zie de ‘vliespotige krijsende engel’ in het op de voorpagina van deze krant afgedrukte gedicht ‘Wadloper en meeuw’ (uit Verschiet, 2001), dat overigens voor Brassinga aan de korte kant is. Aan het slot van het vers blijk je onder begeleiding van die krijsende engel toch over water te kunnen lopen.

De lezer moet ‘aangeraakt’ worden, ‘gehinderd en gestoken’ schreef ze in haar essaybundel Bloeiend puin (2008). Voor al te openlijk gevoelige poëzie heeft Brassinga geen geduld. „Bloem is een huilebalk die het huilen cultiveert”, liet ze zich ontvallen in een interview naar aanleiding van de VSB-poëzieprijs, die ze in 2002 kreeg voor Verschiet. Het is een van de vele bekroningen van Brassinga, die met onder meer de Gorterprijs, de Paul Snoekprijs, de Ida Gerhardtprijs, de Anna Bijns Prijs en de Constantijn Huygensprijs een van de meest gelauwerde dichters van Nederland is. Haar bekroning met de P.C. Hooftprijs komt dan ook niet als een verrassing.

De eerste grote onderscheiding die Brassinga kreeg was de Martinus Nijhoff Prijs voor haar vertaling van Nabokovs The Gift in 1978. Ze weigerde de prijs in ontvangst te nemen omdat een grote groep vertalers de prijs had geboycot. Brassinga (Schaarsbergen, 1948) volgde een opleiding tot vertaler aan de Universiteit van Amsterdam en vertaalde onder meer werk van Hermann Broch, Oscar Wilde, Diderot, Rousseau, Sylvia Plath, Jules Verne en W.H. Auden. Vanaf begin jaren zeventig publiceerde ze proza en poëzie, aanvankelijk in De Revisor onder het pseudoniem A. Tuinman. Haar eerste dichtbundel, Aurora, verscheen in 1987 bij De Bezige Bij. Sindsdien schreef Brassinga een tiental boeken: poëzie, (korte) prozateksten en enkele essaybundels, die werden geprezen om hun vindingrijkheid.

Die lof is ook te traceren in de motivatie van de P.C. Hooftjury: Vasalis-biograaf Maaike Meijer (voorzitter), Wim Brands, Anja de Feijter, Rozalie Hirs en Erik Lindner. „In elk gedicht openen zich onvermoede vergezichten van zeggingskracht. De taal wordt omgekeerd, uitgekleed en weer opnieuw uitgedost totdat alle registers die er ooit in voorgekomen zijn weer meedoen. Deze dichter is werkelijk overal geweest, in talloze literaturen, tradities en milieus, van academie tot markt, straat en kroeg [...] De liefde voor de onuitputtelijke mogelijkheden van taal in poëzie is de constante van haar werk.” Vorige maand verscheen Brassinga’s bundel, Het wederkerige.

De prijs, 60 duizend euro, wordt op 21 mei, de sterfdag van de P.C. Hooft (1581-1647), uitgereikt in Den Haag. Vorig jaar werd Willem Jan Otten onderscheiden.