Amsterdamse Kunstraad: betrek publiek bij subsidies

Kunstraad doet aanbevelingen aan wethouder Ollongren. „Cultuursector is veerkrachtig, maar hier en daar is de rek eruit.”

De Amsterdamse Kunstraad vindt dat de gemeente het publiek meer moet betrekken bij de verdeling van cultuursubsidies. Het voorstel is om het publiek te laten stemmen over de toewijzing van 1 procent van het subsidiebudget. Dit komt neer op 3,6 miljoen euro van de 360 miljoen euro in 2017-2020. Dit geld zou volgens de kunstraad verdeeld moeten worden over de zeven stadsdelen: 5 ton per stadsdeel. Een soortgelijk plan bestaat ook in Rotterdam.

Dat schrijft de Kunstraad in de gisteren gepubliceerde Verkenning 2014. De publicatie is op zichzelf meer een analyse van de stand van zaken in de Amsterdamse kunstsector dan een advies. Toch staan er aanbevelingen in die wethouder Kajsa Ollongren (Cultuur, D66) kan gebruiken bij het opstellen van haar Hoofdlijnennota voor de volgende subsidieperiode.

De Kunstraad schrijft dat de stijgende kosten voor het cultureel vastgoed in Amsterdam vooralsnog niet worden gecompenseerd door hogere cultuursubsidies, maar dat dat eigenlijk wel zou moeten. Daarnaast vindt de raad dat een krimp van de ‘stenen’ infrastructuur „voor de hand ligt”. De gemeente zou moeten onderzoeken of bestaande panden niet intensiever kunnen worden gebruikt, door verschillende culturele instellingen tegelijk.

Daarnaast maakt de Kunstraad zich zorgen over de huisvesting van het Amsterdam Museum. Dat is volgens de raad gevestigd in een „museaal gesproken ongeschikt gebouw” waarin de potentie van de collectie niet tot haar recht komt. De gemeente zou moeten onderzoeken of het museum kan verhuizen naar een ander, bestaand museaal pand.

De Kunstraad vindt dat de gemeente het percentage eigen inkomsten dat de culturele instellingen en gezelschappen moeten verwerven niet verder moet verhogen dan de huidige 25 procent. Dat percentage wordt over de hele linie wel gehaald, maar muziekensembles, dansgroepen en theatergezelschappen worden geconfronteerd met stijgende huren en hebben veel moeite om sponsors te werven. Makers en uitvoerend kunstenaars worden daar de dupe van: zij zijn de sluitpost op de begrotingen.

Om het ondernemerschap te stimuleren, zouden culturele instellingen meer ruimte moeten krijgen om eigen vermogen te vormen. De regels die daar nu voor gelden zijn volgens de raad te streng.

De Kunstraad vindt verder dat de gemeente niet langer alle culturele instellingen moet verplichten aan talentontwikkeling te doen. Het aanbod aan cultuureducatie is in Amsterdam zo groot dat de scholen geen keus kunnen maken, schrijft de Kunstraad.

De Kunstraad is over het algemeen positief gestemd over de veerkracht die de Amsterdamse cultuursector heeft laten zien na de bezuinigingen op de subsidies. Maar hier en daar „is de rek eruit en wordt een onredelijk hoge inspanning verwacht voor de vergoeding die beschikbaar is”.