Yannicks RPhO is wellustig

Over Schuberts Onvoltooide (1822) bestaan allerlei wilde verhalen. Waarom maakte hij zijn Achtste symfonie niet af, terwijl hij nog jaren te leven had? Of is het werk in zijn huidige tweedelige vorm misschien wél voltooid?

Dat laatste is erg onwaarschijnlijk, aangezien in Schuberts tijd een symfonie niet anders dan vier delen kon hebben, maar feit is dat de Onvoltooide als romantisch tweeluik erg goed werkt.

Chef-dirigent Yannick Nézet-Séguin heeft er in dit RPhO-programma voor gekozen op Schubert de drie orkestrale Nocturnes (1897) van Debussy te laten volgen, met verrassend resultaat. Plotseling klinken Debussy’s parallelle akkoorden en zinnelijke harmonieën fonkelnieuw, gewaagd.

Het negentiende-eeuwse orkest, een apparaat dat bedacht is om Schubert te spelen, vindt zichzelf noodgedwongen maar met verve opnieuw uit.

Bij de heerlijke uitvoering van beide stukken door het Rotterdams Philharmonisch kon men wegdromend bedenken dat Schubert zó, in nieuwe muziek, steeds werkelijk zijn voltooiing vindt. Dit keer met Debussy’s Sirènes, gedragen door woordeloos vrouwenkoor, als tentatieve finale.

Na de pauze klonk het schitterende Stabat Mater (1950) van Poulenc, bij wie de treurende Moeder Gods niet bij de pakken neer zit en soms zelfs ogenschijnlijk goedgemutst tevoorschijn treedt.

Poulencs werk is een tour de force van verrukkelijk rijke vocale harmonieën, voortreffelijk gezongen door het Collegium Vocale Gent.

De prettige afwisseling tussen koor- en orkestpassages was steeds goed in balans en ieder ‘tutti’ droeg Yannicks stempel: een indrukwekkend grootse en zelfs wellustige klank, die bij alle gelaagdheid niettemin steeds transparant bleef – en nooit te luid.

Maar in haar bescheiden bijdrage wist sopraan – en wereldster – Kate Royal helaas niet echt te overtuigen.