Column

Een nieuwe manier om de realiteit te aanschouwen

Wanneer ik ’s ochtends wakker word, zie ik het grind in het tuintje van de buren. Zonder lenzen lijkt dat op pasgevallen sneeuw. Het maakt de kou zacht.

Het seizoen kriebelt al dagen in mijn neus. Een kwakkelende verkoudheid, rood en schraal. Ik fantaseer dat er een stukje cocaïne in mijn neus vastzit. Zo is de jeuk geen teken van winterse verzwakking, maar van een woest leven.

In de auto doe ik alsof ik op road trip in Amerika ben. Fileritsen op de A10 heet dan: wijken voor loslopend wild. Wanneer ik met een geleende jeep over een landweg in Friesland hobbel, race ik de Dakar Rally: met de stoelverwarming aan is het bijna de woestijn.

Dit weekend ging de voorstelling van Daria Bukvic in première. In nrc.next verklaarde ze al dat Nobody Home ‘een menselijk gezicht’ wil geven aan het abstracte debat over vluchtelingen. Minister Lodewijk Asscher zou zaterdag komen kijken, maar hij zegde af (en beloofde in januari te komen).

Daria is geboren in Bosnië. Haar moeder vluchtte, half toevallig, vlak voor de Balkanoorlog uitbrak in 1992. Op hakken, koffers in de hand en met een peuter op de borst, moest ze een bijna verwoeste brug oversteken. Halverwege bleef ze staan, verlamd door hoogtevrees. Maar aan de overkant zag ze een man, ze meende dat het haar neef was en voelde zich aangespoord. Ze liep door. Toen ze aankwam bleek het een vreemde, maar ze had hem gezien zoals het nodig was.

In een gesprek met Lex Bohlmeijer (te beluisteren op De Correspondent) vertelde Daria over het asielzoekerscentrum waar ze zat – ‘een legbatterij aan getraumatiseerde mensen’ –, alvorens ze in een katholiek dorp in Limburg belandde. ‘Afgezien van de stress en de onzekerheid terwijl je de procedure afwacht, is het asielzoekerscentrum eigenlijk een te gekke plek. Je beste vrienden wonen één deur verderop. Een speelparadijs.’ Het verdriet voelde ze ook, maar dat werd verzacht met fantasie: ‘We woonden een tijdje in een caravan met een ouder stel. De man schreeuwde de hele nacht. Hij had in een concentratiekamp gezeten. Daar werd dan een verhaaltje op geplakt. Moeders moesten echt topactrices zijn om alles wat daar niet in de haak was draaglijk te maken.’

Natuurlijk dacht ik aan La Vita è Bella, de Italiaanse klassieker waarin de joodse Guido zijn zoontje door het concentratiekamp helpt dankzij verbeeldingskracht. Hij maakt er een soort Levend Stratego van. Een paar minuten voor hij wordt doodgeschoten, maakt hij met het porrende geweer in zijn rug nog een soort dansje.

Een nieuwe manier om de realiteit te aanschouwen: als je de dingen erg denkt, gaat het eigenlijk goed en als je de dingen goed denkt, zijn ze eigenlijk erg.