Na ‘Lima’ zijn arm en rijk samen verantwoordelijk voor klimaat

Ook arme landen moeten bijdragen aan het voorkomen van riskante opwarming van de aarde, luidt de conclusie na de klimaatconferentie in Lima.

Anderhalve dag later dan gepland is gisteren in Lima alsnog een akkoord gesloten dat de richting wijst voor een nieuw klimaatverdrag in Parijs, eind volgend jaar.

In het Peruviaanse akkoord is het onderscheid verdwenen tussen ontwikkelingslanden en rijke landen dat de onderhandelingen al ruim een decennium frustreert. Alle landen worden geacht uiterlijk in juni aan de VN door te geven welke bijdrage zij zullen leveren aan het voorkomen van een riskante opwarming van de aarde.

Het is niet gelukt ook afspraken te maken over de aard van die plannen en hoe die zich tot elkaar verhouden. Ook ontbreken verificatiemechanismen en sancties als de landen zich er niet aan houden. Ondanks alle maatregelen warmt de aarde waarschijnlijk met meer dan twee graden Celsius op – een grens waarvan eerder is afgesproken dat die niet mag worden overschreden.

Ook over de financiering van klimaatbeleid in arme landen bestaat nog steeds grote onduidelijkheid. Vanaf 2020 moet in een klimaatfonds jaarlijks 100 miljard dollar beschikbaar zijn, maar tot nu toe is slechts tien miljard toegezegd, mede door een belofte op het laatste moment van Australië en België. Over hoe het geld besteed mag worden bestaat grote onenigheid tussen donors en ontvangers. Ontwikkelingslanden willen niet praten zolang er onvoldoende geld beschikbaar is.

Voor het eerst is ook het thema schadevergoeding – loss and damage – in de tekst opgenomen. Rijke landen zijn verantwoordelijk voor de schade die nu al door klimaatverandering wordt aangericht en zouden daarvoor moeten betalen. Concreet zijn die afspraken echter niet.

Onzekerheid is er ook over de status van een nieuw klimaatverdrag: juridisch bindend (zoals veel landen eisen) of niet (zoals de VS willen). Het staat wel vast dat de onderhandelaars een moeizaam jaar tegemoet gaan.