‘Ik heb vijftig jaar gezaaid, nu wil ik oogsten’

André van Duin (67) is 50 jaar komiek. Dit voorjaar maakt hij zijn toneeldebuut in ‘The Sunshine Boys’, over oude revuekomieken die nog één keer hun succesact opvoeren.

Foto HH

Toneelspelen? Ja, veel mensen hebben hem al gevraagd of hij het niet een beangstigende gedachte vindt: voor het eerst van zijn leven in een toneelstuk staan. „Maar ik zie er eigenlijk helemaal niet tegenop”, zegt André van Duin met lichte verbazing. „Het is in feite één hele lange sketch. Met als grootste verschil dat mijn typetjes altijd mafkezen waren. Geen uitgewerkte figuren, en allemaal min of meer hetzelfde. Een brilletje en een hoedje, veel meer was het nooit. En nu ga ik dus een ouwe chagrijn spelen. Dat lijkt me niet zo ingewikkeld. Maar pas op hè, dat zeg ik nu, met nog maar één lezing achter de rug. Misschien dat ik er over een paar weken heel anders over denk.”

André van Duin, die eerder dit jaar zijn vijftigjarig jubileum als de grootste volkskomiek van het land vierde, maakt komend voorjaar zijn toneeldebuut. Hij speelt een van de twee hoofdrollen in een nieuwe versie van The Sunshine Boys, de tragikomedie van Broadway-veteraan Neil Simon over twee vroegere revuekomieken die elf jaar na hun breuk worden samengebracht om nog één keer hun grootste successketch te spelen. Maar eerst moeten ze alle wederzijdse rancunes overwinnen die destijds aan die breuk voorafgingen. Want weliswaar hebben ze elkaar dus al elf jaar niet meer gezien, maar al twaalf jaar hebben ze elkaar niet meer gesproken. Zo zit hun nog heel veel venijn van vroeger in de weg voordat hun eenmalige reünieoptreden een feit kan zijn. En dat is tevens de grootste attractie van het stuk – zie ook de Hollywood-verfilming uit 1976, met de comedy-iconen Walter Matthau en George Burns.

Ruim vier jaar geleden deden André van Duin en Herman Finkers alsof ze een scène uit The Sunshine Boys speelden, ten behoeve van de theatrale fotoserie die Erwin Olaf maakte voor het DeLaMar Theater in Amsterdam. Die weemoedige, herfstig getinte foto bracht producent Joop van den Ende op het idee dat Van Duin de ideale man zou zijn om dat stuk ook in werkelijkheid te spelen. De komiek weigerde: „Ik vond mezelf nog te jong.” Maar hij beloofde er wel over na te denken. „En nu heb ik ja gezegd. Hoewel ik nog steeds niet die norse kop van Walter Matthau heb. Wat dat betreft zou Youp van ’t Hek deze rol óók kunnen spelen. Hij heeft dat hoofd wél. Nou ja, die kop moet ik dan spelen.” Hij ontleent, zegt hij, veel vertrouwen aan regisseur Gijs de Lange. Die ontmoette hij begin dit jaar toen De Lange, eveneens voor Van den Ende, de voorstelling Vaslav regisseerde: „Gijs is een gezellige Rotterdammer, die meteen tegen me zei: we gaan er iets goeds van maken. Door hem kijk ik nu ook wat luchtiger tegen deze onderneming aan. Het is geen eitje, geen fluitje van een cent, maar waarom zou ik het niet kunnen?”

Nieuw is het wel, werken met een regisseur: „Zometeen gaat er iemand tegen me zeggen: als je dáár nou een loopje zou maken... Dat hebben we in de revue nooit gehad, daar deden we altijd maar wat ons zelf het beste leek. En ik moet natuurlijk niet gaan rommelen met de tekst, of nog ergens een extra grapje ertussen schuiven. Niet doen, het stuk is het stuk.” Hij zegt een voorbeeld te nemen aan de oude John Kraaijkamp, die zijn rol in 1993 speelde: „Daarvan heb ik een video, met één camera achterin de zaal opgenomen, die ik al een paar keer heb bekeken. Kraaijkamp had de reputatie dat hij altijd heel veel improviseerde, net als ik. Maar nu heb ik gemerkt dat hij zich keurig aan het script hield. De mooiste scènes vond ik die met de neef, die de reünie van de twee komieken op poten heeft gezet. Dat was toen Johnny Kraaijkamp junior. Zij waren echt een gouden duo, ták-ták-ták. Als we dat in onze voorstelling ook zo zouden kunnen krijgen, zitten we goed.” De tweede komiek werd destijds gespeeld door Eric van der Donk. In de nieuwe versie staat Kees Hulst in die rol: „Ik zag hem zeven jaar geleden in Wuivend graan van Wim T. Schippers en vond dat hij een geweldig komische uitstraling had.”

Zelf heeft Van Duin, naar hij zegt, geen enkele ervaring met de verloederende ruzies die de Sunshine Boys ten onder deden gaan. Hoewel hij in zijn revues jarenlang samenwerkte met Frans van Dusschoten, en later met Ron Brandsteder, was er nooit sprake van een echt duo: „Frans en ik deden buiten de revue nog heel veel dingen los van elkaar. Frans bijvoorbeeld met de stemmen voor De Fabeltjeskrant en ik had er altijd nog radio, televisie en de grammofoonplaatjes bij. Dan ben je niet zo’n duo dat afhankelijk van elkaar is, en waarvan de mannen nooit worden gevraagd om solo iets te doen. En verder heb ik met Frans nooit enige ruzie gehad; we hebben alleen maar jarenlang heel veel gelachen met elkaar. Dus nee, ik moet nu echt acteren.”

Het is een nieuw avontuur, dat in tegenspraak lijkt te zijn met een opmerking die Joop van den Ende herhaaldelijk over hem heeft gemaakt: dat hij zich altijd wilde blijven bewegen binnen het genre waarin hij de beste is, en dat hij liever nooit artistieke risico’s heeft genomen. „Ja”, knikt hij, „ik hou mezelf graag vast aan zekerheden, zo zit ik wel een beetje in elkaar. Al vind ik wel dat programma’s als De Dik Voormekaarshow, Jaap Aap en Animal Crackers vernieuwend waren. Joop heeft mij ooit gevraagd om Fagin te spelen, de leider van de zakkenrollertjesbende in de musical Oliver!, maar dat heb ik niet gedaan. Ach, er was toen weer een revue op komst en dat deed ik toch liever. Maar nu vond ik dat het wel een goed moment is voor iets anders. Binnenkort word ik 68; dan kun je niet eeuwig doorgaan met een alpinopet op je hoofd. ’t Moet niet zielig worden, dat wil ik uit alle macht vermijden. Ik vond dat Toon Hermans in zijn latere jaren een beetje zielig werd. Ja, hij zong nog mooie liedjes, maar daar zat zijn publiek niet op te wachten. En ik zie mezelf ook niet meer zo springen en vallen als ik jarenlang heb gedaan. Dat zou zielig worden.”

Dat Van Duin daarmee toch tot op de dag van vandaag wordt geassocieerd, zal mede te maken hebben met de vele malen waarop die scènes op de televisie worden herhaald. Dit jaar zelfs vaker dan ooit, naar aanleiding van zijn vijftigjarig artiestenjubileum. In dat kader is op 27 december nog een aan hem gewijd surprisegala te zien, en dit najaar verscheen voorts een jubileumboek op tuintegelformaat (De komiek) met een schier uitputtend carrièreoverzicht in honderden foto’s met bijschriften.

Hij heeft het allemaal vriendelijk ondergaan, zonder er veel ophef over te maken. Want één ding viel altijd aan hem op: al die tijd leek hij alle successen als vanzelfsprekend te beschouwen – alsof er nooit enige reden voor ophef was. „Dat is wel waar”, luidt zijn antwoord. „Misschien heb ik dat van mijn moeder; zij vond het ook totaal niet wonderlijk dat ik steeds succes had. Zonder enige planning of strategie is het één bij mij altijd weer vanzelf uit het andere voortgekomen. In een bijna rechte lijn, met heel weinig tragedie.” En met een blanco blik in zijn ogen: „Ik heb ook niet zo veel emoties.”

In opperste rust zit André van Duin in de gerieflijke voorkamer van zijn Amsterdamse grachtenwoning met kroonluchter en ingebouwde bar – in groot contrast met de onbedaarlijke hilariteit die hij decennialang teweeg heeft gebracht. De slotvraag luidt of er nog meer op komst is, na The Sunshine Boys. „Eerst maar eens zien hoe die zes weken in DeLaMar zullen gaan. Maar ik wil niet zo heel veel meer doen. Ik heb vijftig jaar lang gezaaid. Nu wil ik een beetje oogsten.”