Hoeveel pensioen blijft er over?

De Eerste Kamer behandelt vandaag de nieuwe regels voor pensioenen. Wat betekenen ze voor de portemonnee?

xxx

In paginagrote krantenadvertenties riep de vakcentrale FNV de Eerste Kamer vorige week op om een gat te dichten. Het gat in de koopkracht dat de nieuwe, strengere regels voor pensioenfondsen zouden slaan. Het pensioen van jongeren wordt bevroren, ouderen voelen de pijn direct, zegt de FNV.

Hoe groot is dat gat? Hoeveel pijn gaan verschillende leeftijds- en beroepsgroepen voelen? Het enige juiste antwoord is dat niemand het weet. Opbouw en uitkering van pensioenen zijn afhankelijk van de economie, de rente, het beleggingsrendement, de leeftijdsopbouw van pensioenfondsen, de premie en hoe lang mensen leven. Voor jongeren is het lastiger te voorspellen dan voor ouderen.

Rode streep

Het wetsvoorstel, dat de Eerste Kamer vandaag behandelt en per 1 januari van kracht moet worden, is bedoeld om de pensioenfondsen sterker te maken. Ze moeten meer buffers opbouwen (5 procentpunt) om pensioenen te mogen verhogen. Ze mogen herstelmaatregelen over tien jaar uitsmeren en elk jaar weer aanpassen. De schommelende dagrente, waarmee ze hun dekkingsgraad berekenen, wordt een gemiddelde van twaalf maanden.

Ouderen krijgen zo de komende jaren weinig verhoging, maar ook geen abrupte, forse kortingen meer. Jongeren bouwen minder pensioen op, maar profiteren omdat er meer geld in de pensioenpot blijft. Omdat de „lasten en lusten” beter gespreid worden, zijn de generatie-effecten van de nieuwe regels „beperkt”, volgens het Centraal Planbureau (CPB). Het gemiddelde pensioen zou een „paar tientjes” per maand lager uitvallen, in slechte economische tijden juist iets hoger.

De koopkracht van ieders pensioen zal de komende jaren sowieso dalen, volgens staatssecretaris Jetta Klijnsma (Sociale Zaken, PvdA). De reden is dat veel pensioenfondsen, mede door de lage rente, te weinig vermogen hebben. Voor jongeren, de huidige 25-jarigen, zou de wijziging niets uitmaken. Zij krijgen op hun oude dag naar verwachting een pensioen dat geheel met de lonen en prijzen is mee gestegen.

Maar de ramingen in de pensioensector zijn heel anders en lopen uiteen. De Pensioenfederatie (260 fondsen) noemt de nieuwe regels „niet gunstig” voor jongeren. Een groot deel van de fondsen zal er dertig jaar over doen om alle achterstanden in pensioenen in te halen, heeft de federatie berekend. Al die jaren mogen die fondsen niet verhogen, waardoor jongeren minder pensioen opbouwen.

Dertigers

Nee, het is juist andersom, zegt actuaris Mike Pernot van pensioenconsultant Aon Hewitt. „Ouderen gaan er op achteruit, omdat hun pensioenen de komende jaren minder verhoogd mogen worden”, zegt hij. „Maar omdat er later wél verhoogd kan worden, zijn het juist jongeren die er uiteindelijk op vooruitgaan met de nieuwe regels.”

Volgens Aon Hewitt komen dertigers van nu er later het beste vanaf. Zij krijgen er vanaf hun pensioenleeftijd tot aan hun overlijden in totaal 37.000 euro bij. Vijftigers zijn het slechtste af: hun totale pensioen daalt 6.000 euro en was al het laagste van de drie leeftijdsgroepen. Het pensioen van zeventigers daalt meer, 11.000 euro, maar zij komen er met een totaal pensioen van 489.000 alsnog het hoogste uit.

In euro’s lijken de verschillen groter dan in procenten. Volgens Aon Hewitt stijgt de koopkracht van dertigers met de nieuwe regels 6 procent, terwijl die van vijftigers en zeventigers daalt met respectievelijk 1 en 2 procent.

De berekeningen zijn moeilijk te vergelijken met die van het CPB omdat Aon Hewitt meer factoren heeft meegewogen, zoals partnerpensioen en prepensioen (VUT-regeling). „Het zuivere effect van de nieuwe regels is daardoor wat vertroebeld”, zegt Marcel Lever van het CPB. Het ministerie van Sociale Zaken van Werkgelegenheid onderschrijft de berekeningen van Aon Hewitt deels, maar vindt dat „de gekozen voorbeeldscenario’s” ten onrechte de indruk wekken dat ouderen er altijd op achteruit gaan. Aon Hewitt begrijpt deze reactie niet, zegt Pernot: „Iedereen is het erover eens dat verhogen er de komende jaren niet inzit. Ouderen kunnen die achterstand niet meer inhalen.”

Enkele tientjes

Het grote ambtenarenfonds ABP (2,8 miljoen deelnemers) heeft ook berekeningen gemaakt. De pensioenen zullen de komende vijftien jaar 3 tot 7 procent minder verhoogd worden, volgens ABP. Om een beeld te geven: een daling van 3 procent komt bij een gemiddeld ambtenarenpensioen neer op enkele tientjes minder per maand – dat is dus ook wat het CPB zegt.

Op basis van deze ramingen lijken de gevolgen van de nieuwe regels nog beperkt. „Maar als je de totale koopkrachtdaling sinds het begin van de crisis meerekent, is er een flinke hap uit de pensioenen genomen”, zegt Paul Duijsens, van het ABP.

Omdat de pensioenen niet zijn mee gestegen met de lonen en prijzen, is er bij ABP en veel andere fondsen al een achterstand van 9 procent. Als die achterstand de komende jaren inderdaad 7 procentpunt zou oplopen, kom je uit op 16 procent. Duijsens: „Voor andere pensioenfondsen die ook hebben moeten korten, kan het pensioenverlies oplopen tot 25 procent: een kwart. Dat is aanzienlijk.”

Maar het blijft in wezen allemaal giswerk. Hoe de pensioenen zich in de toekomst ontwikkelen, is eigenlijk niet te voorspellen. De huidige lage inflatie is gunstig voor de koopkracht van lonen en pensioenen. Maar de lage rente maakt weer dat pensioenfondsen minder ‘rekenkundig’ vermogen hebben. Ze doen er langer over om te herstellen en mogen dus ook pas later weer verhogen.

De nieuwe regels voor pensioenfondsen zullen bovendien niet de laatste zijn. Het is goed mogelijk dat het wettelijke kader in de komende jaren weer moet worden aangepast, volgens staatssecretaris Klijnsma.

Los daarvan speelt nog de ‘toekomstdiscussie’ van Klijnsma over de vragen als: sluit het pensioenstelsel wel aan bij de manier waarop we werken en leven? Welke risico’s willen we nog collectief delen en moeten mensen meer keuzevrijheid krijgen in hun pensioen? Zulke vragen gaan veel verder dan alleen koopkrachtverlies.