Het is tijd voor Ik Janneke Cremer

Een mannelijke schrijver kan zo smerig zijn als hij wil. Maar bijna geen vrouw schept op over haar escapades. Ze mag op seksueel gebied blijkbaar niet zelfverzekerd zijn. Of ligt het anders? Vrouw, schrijf eens met je tieten!

Illustratie Nanne Meulendijks

‘Ik lig in bed, naast mijn broer Lupin. Hij is zes. Hij slaapt. Ik ben veertien. Ik slaap niet. Ik lig te masturberen.’ Op deze verfrissende wijze begint Caitlin Moran haar roman Bouwpakket van een meisje (2014), het humoristische, onbeschroomde relaas van een armoedig meisje uit de provincie dat zichzelf heruitvindt in de grote stad. Eindelijk: een vrouw die vrijelijk over seks, drugs, drank en de goot schrijft en grappig is bovendien. Wie meer van dit soort vrouwelijke branie wenst, in de literatuur, kan lang zoeken.

‘Vrouwen denken niet met hun tieten, en ze schrijven er als het goed is ook niet mee,’ stelde Niña Weijers, auteur van de roman De consequenties (2014) vorige maand nog in deze krant. Ze schrijft ‘ideeënromans’ en boekstaaft geen boezem-avonturen: dat zou haar eer te na zijn.

Volgens mij is er juist een lacune in de literatuur. De schelmenroman is sinds de zestiende eeuw een geliefd en nog altijd springlevend genre. Liederlijke avonturen van opscheppers en oplichters zijn meeslepend, spannend, dikwijls geestig en op een heel eigen wijze ontroerend, maar gaan altijd, bijna altijd, over mannen, en worden doorgaans door mannen gemaakt.

Blieven vrouwen geen humor, behoeven zij geen avontuur, zijn zij niet belust op seks of ontberen zij de juiste liederlijke, onbekommerde blik op een en ander?

Lezen vrouwen alleen hitsige heren?

Alles kan inmiddels, ongeacht de sekse van de auteur, zou je denken. Maar de huidige generatie Nederlandse schrijfsters (onder wie behalve Weijers bijvoorbeeld Bervoets, Gerritsen, Wortel) kent opvallend weinig branie. Ze bestuderen eerder dan dat ze erop los beuken, ze somberen meer dan ze stomen. Seks komt in hun boeken wel voor, maar het is afgewogen, afgemeten, overbewust, en zelden zomaar, voor de vuist weg, wild, woest of slordig.

‘Ik schrik ervan als ik een man aantrekkelijk vind, ik hou mijn wereld graag overzichtelijk omdat ik niet om kan gaan met onwelkome gevoelens’, vertelt de hoofdpersoon van Roxy van Esther Gerritsen bijvoorbeeld. Ze bespringt een begrafenisondernemer omdat er weinig anders op zit: ‘Het is de opwinding die telt en die ze met beide handen aangrijpt, het enige touw dat haar uit het moeras kan trekken.’

Deze hoofdpersoon, die lijdt aan het dwangmatig denken aan de zin ‘ik wil dood’, is bepaald geen onbezonnen vuilak zoals die voorkomt in bijvoorbeeld de boeken van P.F. Thomése, of, langer geleden, in Ik, Jan Cremer van Jan Cremer.

Wat leest een nieuwsgierig pubermeisje van nu? Hitsige heren? Nog steeds? ‘Ik zag dat haar ogen mistig werden,’ las ik zelf in 1983 in Turks Fruit van Jan Wolkers – het boek was toen al meer dan tien jaar oud. Ik was dertien en wilde maar al te graag weten hoe dat was, als je ogen mistig werden gemaakt door een vreemde man die zomaar je hals aanraakte.

Angstig kijken naar zijn geslacht

Maar ook dit boek is natuurlijk vanuit een man geschreven. Wat Olga, de vrouw in kwestie, ervan vindt, liet zich raden, hetgeen best lukte natuurlijk, maar toch.

Sinds jaar en dag zijn het voornamelijk mannen die schrijven over de vrouwelijke beleving van seks. Scabreuze schrijvers zijn haast altijd mannen. ‘Het water was heet op haar vulva en anus’, schrijft Gustaaf Peek in de roman Godin, held, waarin een paar zich veelvuldig overgeeft aan de vleselijke liefde. Haar wat? Haar vulva. Peek zet zijn personage Tessa in bad: hij schrijft zowel vanuit de vrouw als vanuit de man. Vrijmoedig schrijvende vrouwen zijn vaak mannen.

Ze slaan er een slag naar wat er door een vrouw heengaat als een man zijn broek laat zakken, met alle gevolgen van dien. ‘Edelweiss keek met ontzag en een beetje angstig naar Peters geslacht,’ schreef A.F.Th. van der Heijden (Mim of De doorstoken globe, 2007), ‘dat zich tot uiterste hardheid had opgericht, enigszins schuin hangend, zacht wiegend. De schacht, en dat ontroerde haar, glansde in de overvloed aan licht, als opgepoetst. Heidi legde zonder omhaal haar hand eromheen. Zo zou ze het ook bij een huishoudelijk voorwerp doen.’

Mannen lijken wel uitgeluld

Waar blijft toch de nieuwe Jan Wolkers, de nieuwe Jan Cremer, vroeg schrijver Joost de Vries zich onlangs al af op De Correspondent. Het is eerder tijd voor Ik, Janneke Cremer, zou ik zeggen. Mannen lijken me zo langzamerhand wel uitgeluld.

Maar het komt nog niet echt van de grond, de vrouwelijke branie in de literatuur. Vijftig tinten grijs van E.L. James, met de vervolgdelen én de vele navolgers, is gespeend van humor. Met alle zweepjes is het veel meer Bouquetreeks dan branieliteratuur.

Er zijn natuurlijk wel uitzonderingen, vrijmoedige eenlingen met lef en humor, en die zijn er ook altijd wel geweest. Het probleem is vermoedelijk dat vrouwenbranieboeken tot nu toe een hoger of juist een lager doel dienden. Lager, omdat ‘opwinding’ en ‘veel seks’ bij vrouwen al snel tot ‘hoerenboeken’ leidt, zoals van Bobbi Eden. Hoger, omdat er tot voor kort andere dingen op het spel stonden. In 1976 schreef Anja Meulenbelt De schaamte voorbij. Dat gaat over haar woeste jaren, maar het is maar een beetje opwindend, als je echt je best doet. Het gaat vooral over wat er allemaal niet goed is (of was) aan het hebben van veel seks. Het persoonlijke was immers politiek. Mannen, moraal, sekse, strijd, het was vast nodig dat zo te boekstaven, maar tot echte opwinding en onverschrokkenheid kwam het nog niet.

Er is sprake van literaire sletvrees

‘Ik neukte alles wat los en vast zit,’ schreef Wolkers in 1969, in Turks Fruit. Het is nu 2014 en zoiets schrijft een vrouw nog altijd niet zo gauw. Deels ligt dit vast en zeker aan de nog altijd onvoltooide emancipatie. Vrouwelijke schrijvers worden al snel beticht van ‘klein denken’. Er wordt gauw, nog altijd, gemakzuchtig en gemakkelijk geringschattend gedaan over wat vrouwen zoal schrijven. Het zou door dit soort kritiek kunnen komen dat vrouwen beducht zijn over ‘eenvoudige avontuurtjes’ te schrijven, over onbezonnen lol trappen. Alsof Turks fruit niet feitelijk over een heel klein avontuurtje gaat.

Ik vermoed dat er in de letteren, evengoed als in het echte leven, nog steeds sprake is van iets als ‘sletvrees’, de term van documentairemaakster Sunny Bergman. Het ‘afgelikte boterham-complex’ bestaat nog steeds: als je veel mannen hebt, had, of zou willen hebben, en daar graag over vertelt, ben je al gauw vies en zielig, niet stoer, aanlokkelijk. Vooral vrouwen lijken er zo over te denken. Ik weet uit ondervinding dat het bij lang niet al je lezeressen goed valt als de vrouwelijke hoofdpersoon van je boek op seksueel gebied zelfverzekerd is. Of als je haar veel wisselende contacten geeft.

We zijn blijkbaar bang voor afwijzing van elkaar en wie weet ook van de andere sekse. Een mannelijk auteur kan zo smerig zijn als ie-wil, vrouwen stappen daar ruimhartig overheen, of worden, sterker nog, nieuwsgierig ‘of-ie echt zo goed is’.

Nee, we zijn nog niet klaar met de emancipatie. In De seksbijbel van Goedele Liekens, een pas verschenen non-fictie boek, lees ik: ‘Negen op de tien vrouwen schamen zich voor hun vagina [...]. Een op de vier vrouwen [weet] niet eens hoe ze er daar beneden uitziet.’

Ook in de letteren is er blijkbaar nog altijd iets als een glazen plafond. Ik zou zeggen: klim een ladder op, schurk ertegenaan, laat zien wat je hebt, kunt en wilt, breek er ‘gloei-kittelend’, fel splinterend doorheen… En vis vooral die pen tussen je borsten vandaan.