Floortje Zwigtman reageert op kritiek na ‘literaire zelfmoordbrief’

Floortje Zwigtman (L) in 2006. De kinderboekenschrijfster klaagde twee weken geleden in een opiniestuk over de gebrek aan aandacht voor jeugdliteratuur, tenzij de auteur 'een tennismoeder of prinses' is. ANP PHOTO ED OUDENAARDEN

‘Ook ik zal misschien binnenkort uit de kinder- en jeugdboekenwereld verdwijnen’. Daarmee besloot kinderboekenschrijver Floortje Zwigtman twee weken geleden haar ‘literaire zelfmoordbrief’. Het stuk lokte reacties uit van Charlotte Mutsaers, Jacques Vriens en Ingmar Heytze. Na twee weken reageert Zwigtman zelf op alle commotie.

Twee weken geleden postte ik mijn ‘literaire suicide note’ op Facebook, een experiment waarvan ik toen ik op de ‘post’-knop drukte de uitkomst niet van kon voorspellen. Ik was niet iemand van de straffe stukken, eerder iemand die de voors en tegens in lang uitgesponnen stukken (of romans) tegenover elkaar zette en het oordeel aan de lezer overliet. Maar ditmaal wilde ik het anders aanpakken. Weer een podium voor kinder- en jeugdliteratuur (nl. het Vlaamse tijdschrift De Leeswelp) was bruut wegbezuinigd en de vraag wat er in de toekomst nog zou overblijven, drong zich op. Wat als het zo door zou gaan, er stukje bij beetje steeds meer verdween, zodat het laatste wat over zou blijven zou verdwijnen zonder dat iemand het merkte?

Dan liever maar de vraag stellen vóór het zover was: wat als ik er als jeugdboekenauteur nú mee stop?

De brief heeft heel wat losgemaakt. Hij is vele malen gedeeld op de sociale media, door het NRC en literaire blogs als TZUM geplaatst en werd opgepikt door radioprogramma’s die kinder- en jeugdboeken doorgaans niet als een number one item of interest opvatten. Er kwamen steunbetuigingen en er kwam kritiek. Kinderboekenambassadeur Jacques Vriens publiceerde een opiniërend artikel in de Volkskrant. Opvallend was dat ook mensen van buiten ‘het veld’ (dat knusse reservaat dat de kinderboekenwereld doorgaans is) reageerden, waaronder Charlotte Mutsaers en Ingmar Heytze (Trouw, 13 december j.l.). Niet iedereen was het eens met de inhoud van mijn brief en zeker niet met de vorm. Deze werd ‘pathetisch’ en ‘niet sjiek’ genoemd. En dat is allemaal waar. Maar de nieuwswaarde van ‘Olifant banjert door porseleinkast’ blijkt helaas ook nu weer groter dan ‘Schrijfster schrijft beschaafd en afgewogen stuk’. En dat is geen verwijt aan de moderne media, het is al heel lang zo.

Meet John Doe

In de Hollywood-klassieker Meet John Doe (1941) schrijft zojuist ontslagen journaliste An Mitchell één laatste column voor haar krant: de brief van een door haar verzonnen ‘John Doe’ die dreigt zelfmoord te plegen als protest tegen sociaal onrecht. Het publiek en de media zijn gevoelig voor de sensatie en Mitchell moet met een echte John Doe op de proppen komen, die uiteindelijk gedwongen wordt Mitchells belofte na te komen: suicide on Christmas Eve.

Drama verkoopt, zeker als het persoonlijk drama is.

Terwijl ik mijn post de sociale mediawereld injoeg, speelde de herinnering aan deze film door mijn hoofd. Zou het nog steeds zo werken? En wie zou het als eerste doorzien? Zoals bleek, niemand. Ik plaatste de filmposter op mijn FB-pagina, postte citaten uit de film, koppelde de film met naam en toenaam aan mijn brief, maar niemand pikte het op.

Na twee weken rumoer vind ik het in elk geval tijd worden voor dat ‘beschaafde en weloverwogen’ stuk dat u misschien van mij verwacht zou hebben. Of het geschreven – of geplaatst- zou zijn zonder het voorafgaande lawaai… Dat weet ik niet.

Planktijd

Er is namelijk wel het een en ander aan de hand in de boekenwereld. Als u de kranten bijhoudt, zult u er wellicht al van gehoord hebben: het gaat slecht. Verkopen lopen terug, boekhandels sluiten, uitgeverijen ontslaan personeel en ‘de jeugd leest niet meer’. Ook hier is het vooral het slechte nieuws dat de kranten haalt. (In Groot-Brittannië schijnt het met de boekverkopen trouwens weer beter te gaan, maar in Nederland houden we een crisis liefst zo lang mogelijk in stand.)

Dat het op dit moment slecht gaat, klopt. Dat is al jaren zo. Ik herinner me gesprekken met mijn toenmalige uitgever over een nieuwe koers. Dat was destijds: minder uitgeven, maar voor een aantal kerntitels ‘helemaal gaan’. Op zich vond ik het toen een goed idee. Er werd – en wordt- te veel op de markt gebracht. De ‘planktijd’ van boeken in de boekhandel is van een jaar teruggelopen tot enkele maanden. Dan moet er plaatsgemaakt worden voor nieuwe titels. Een boek heeft dus enkele maanden de tijd om zich te bewijzen. Een auteur heeft daarvoor ongeveer één boek de tijd. Lukt het met dat eerste boek niet meteen, dan wordt het een stuk lastiger om een tweede uit te brengen, laat staan een derde. Wat de merkwaardige situatie oplevert dat literair talent minder tijd krijgt zich te ontwikkelen dan –laten we zeggen- een jong sporttalent. Stel je voor dat Sven Kramer zich tijdens zijn eerste wedstrijden meteen als wereldkampioen had moeten bewijzen. Die jongen is snel goed geworden, maar ook weer niet zo snel.

Op zich een goed idee dus, dat terugbrengen van het aantal titels. Alleen wel jammer dat de nijpende financiële situatie uitgevers er bijna toe dwingt te gaan voor zekere successen. En ik heb niets tegen bestsellers – sommige, zoals Game of Thrones, verdienen hun miljoenenpubliek - maar wat op de markt komt, zijn vaak kopieën van boeken die elders al succesvol zijn geweest. Ik herinner me de tijd dat ik recenseerde voor de Nederlandse bibliotheken. Als Tolkien-enthousiast had ik opgegeven dat ik graag jeugd-fantasy wilde beoordelen. Nou, dat heb ik geweten. Na het achtentachtigste boek over Vijf Kinderen met Speciale Gaven die de Wereld Redden, had ik het hele genre liefst in de hens gestoken. Wat uitgegeven wordt, is misschien wel minder, maar vooral nog steeds Veel van Hetzelfde.

Verkoopbaar

Boeken die afwijken van het succestramien worden met enige argwaan bekeken: is dit wel verkoopbaar? Vanuit het oogpunt van de belaagde uitgever begrijpelijk, maar af en toe voert het wel heel ver. Zo is er het voorbeeld van een auteur die een boek had geschreven met een mannelijke hoofdrolspeler maar die gedwongen was een meisje als covermodel te accepteren. Want ‘Meisjes kopen boeken, jongens niet’.

Zelf debuteerde ik in het Young Adult-genre, ooit een nieuw en fris genre waarbinnen het mogelijk was te experimenteren. Inmiddels is om geen literair genre de dwangbuis van de formule zo strak aangetrokken als bij de YA. Na planken vol vampier-romances (Twilight) staan de kasten nu zo vol futuristische dystopiën (The Hunger Games) dat ik met een dystopie die zich eens niet in de toekomst afspeelt, ‘opvallend’ wordt genoemd. Voor auteurs die afwijkende boeken willen publiceren, is nog wel plaats, maar de voorzichtigheid van uitgevers neemt nog steeds toe en heeft in het buitenland hier en daar al de dwangmatigheid van smetvrees bereikt.

Publiceren

Maar goed, het is je gelukt je boek gepubliceerd te krijgen. Dan is de volgende vraag: hoe bereik je je publiek? Voor kinder- en jeugdboekenschrijvers is het directe contact met lezers belangrijk. Aandacht in de mainstream media is er niet overdreven veel en dus zijn schoolbezoeken en andere optredens onmisbaar. Dus reizen veel van mijn collega’s het land door om op scholen en in bibliotheken over hun boeken te praten.

Deze optredens zorgen niet alleen voor bekendheid maar vormen ook een niet te verwaarlozen deel van het inkomen. Helaas is het zo dat scholen en bibliotheken in de crisisjaren behoorlijk rigoureus hebben moeten bezuinigen. Dus kwamen er minder aanvragen voor schrijversbezoeken en ging het tarief hiervoor – noodgedwongen - omlaag. Reken hier nog eens lagere royalty’s bij, teruglopende verkopen en minder uitgeleende boeken in de bibliotheken (waarvoor auteurs via Stichting Lira een vergoeding ontvangen) en je komt tot de conclusie dat het inkomen van veel auteurs de afgelopen stevig is gedaald.. En ja, geld, geld, geld, moet het altijd om ge-held gaan? Ja, want geld is tijd, hoewel al jaren het omgekeerde wordt beweerd. En tijd is het meest waardevolle wat een auteur bezit.

Volledige baan

Zoals zoveel van mijn collega’s heb ik een volledige baan, naast mijn schrijfwerk. Een meer dan volledige baan, want ik ben zelfstandig ondernemer en mijn kantooruren zijn overuren. Ik kan van mijn bedrijf prima leven, al heeft het jaren geduurd om zover te komen, maar die prettige financiële positie gaat wel ten koste van de uren die ik kan besteden aan mijn boeken.

Wat neo-liberale ideologen ook mogen beweren over de moderne, participerende mens die idealiter een marathon rent om zijn eigen beenprotheses te bekostigen, er zitten maar 24 uren in een etmaal en het menselijk brein heeft een beperkte capaciteit. Het schrijven van proza, poëzie of non-fictie is een complex proces waarbij grote hoeveelheden informatie gecombineerd moeten worden tot zinvolle eenheden (om het maar eens technisch uit te drukken) en dit vraagt veel van anderhalve kilo menselijke hersenen. Wie dat brein eerst een volledige werkdag heeft vermoeid met een fulltime baan, presteert onherroepelijk minder dan wanneer hij/zij uitgerust en ontspannen de pen op papier zet, of de vingers op het toetsenbord.

Waardevolle boeken hebben tijd nodig om te kunnen ontstaan, en een fatsoenlijk inkomen kan die tijd voor je kopen. Vandaar dat ooit die vaak verguisde schrijfbeurzen in het leven geroepen zijn, en vandaar ook dat schrijvers heus wel blij zijn met een prijs waar niet alleen eer maar ook een geldbedrag aan verbonden is. Wie roept dat geld geen rol speelt, heeft daar zelf genoeg van. De dichter die tot in de kleine uurtjes borden wast in een morsig café en zich op een tochtig zolderkamertje in leven houdt met witte bonen en poëzie, is meer dan een cliché: hij is een sprookjesfiguur. Hij bestaat niet.

Er zijn werkdagen geweest dat ik aan het eind niet eens meer een fatsoenlijk gesprek kon voeren, laat staan Onsterfelijk Proza schrijven.

Gedachtegoed

Geld is dus een belangrijke voorwaarde. Zoals mijn collega Marcel van Driel dat verwoordde: ‘Geld is niet de reden dat je gaat schrijven, maar wel de reden dat je het kunt blijven doen.’

Moet er dan ook meteen maar Veel Geld zijn? Mijn antwoord daarop is ‘nee’. Niet alleen omdat ik als fervent vrek en kringloopwinkelbezoeker niet veel nodig heb om van te leven, maar ook omdat het in sommige sectoren om veel meer gaat dan geld alleen. Lijkt een open deur, zeker binnen de kunstensector, maar wie de politiek van de afgelopen decennia heeft gevolgd, weet dat ‘bedrijfsmatig werken’ de norm was voor alles en iedereen. Nu ontstaat langzaam het besef dat niet iedere sector zich hiertoe leent. Binnen de zorg, binnen de volkshuisvesting, gaat het om meer dan winstcijfers, ambitieuze investeringen en patserkarren voor de directeuren. Het zorgen voor gehandicapten, demente bejaarden, het verzorgen van een prettige, leefbare leefomgeving, ook voor mensen met een laag inkomen, is economisch zeker niet rendabel. Maar stel voor het dan maar te laten en de reacties die je zult krijgen, vertellen je dat het hier gaat om veel meer dan winst alleen.

Ik denk dat dit ook voor het boekenvak opgaat. Wat we verkopen, is gedachtegoed. De waarde van boeken, ligt in andere dingen dan de winst die met een bestseller gemaakt kan worden. Waar het eerst en vooral om gaat, is de wereld tussen de kaften. Wat boeken met onze hersenen doen, wordt nu ook – voorzichtig nog - bewezen door de wetenschap. Boeken laten ons de wereld door andere ogen zien: ze stellen ons in staat ons te verplaatsen in anderen, bevorderen dat kostbare vermogen tot empathie dat mensen in staat stelt in enige vrede met elkaar te leven. Ze trainen onze hersenen om te gaan met grote hoeveelheden informatie, een broodnodige vaardigheid in een toenemend complexe wereld. Ze oefenen ons geduld. Ze tonen ons dat er meer dan één waarheid kan zijn. Ze brengen ons tot rust in een maatschappij die ons bombardeert met zo’n data-overload dat er nauwelijks meer tijd is om na te denken. Niet denken maar reageren. In niet meer dan 140 tekens graag.

Dit is de ware winst van boeken. En dit maakt de boekensector ook tot een van die sectoren waar het niet alleen maar kan gaan om winst en verkopen. Wie van een uitgeverij verwacht dat het een goudmijntje is dat ieder jaar meer geld oplevert, zal zeker teleurgesteld worden. Dan wordt zelfs een ‘behoorlijk jaar’, met goede verkopen maar geen uitschieters een teleurstelling. Een uitgeverij is geen ezel die munten schijt. Zo’n ezel is een sprookjesdier en bestaat net zomin als de arme auteur die op zijn zolderkamertje een klassieker schrijft.

Bestaanszekerheid

Om geld alleen gaat het dus niet. Waar gaat het dan wel om? Als ik bij mezelf te rade ga, gaat het om enige mate van bestaanszekerheid. Wie de evolutie van de mens bestudeert, ziet dat er eerst aan bepaalde bestaansvoorwaarden voldaan moet worden alvorens de stam zich om het vuur verzamelt om verhalen te horen: er moet vlees boven dat vuur gebraden worden, de verzamelde toehoorders moeten zich veilig en warm voelen. Dán pas kunnen vertellers en luisteraars hun gedachten aan andere zaken dan het overleven wijden. En dán komen de verhalen.

Die verhalen zijn van levensbelang. Ze vertellen de toehoorders wie ze zijn, hoe ze kunnen leven en overleven. Maar wie honger heeft, wil eerst eten en dan pas luisteren of vertellen.

Waar ik met mijn onsjieke brief aandacht voor heb willen vragen, is deze bestaanszekerheid. Willen we ervoor zorgen dat vertellers blijven vertellen, schrijvers blijven schrijven, dan zal er aan bepaalde basisvoorwaarden moeten worden voldaan. Er moet wat geld zijn. En tijd. Het hoeft niet veel te zijn. Maar het is wel noodzakelijk. En voor veel van mijn collega’s is die bestaanszekerheid allang geen ‘zekerheid’ meer.

Positieve initiatieven

In de reacties op mijn brief, werd ook aandacht gevraagd voor de vele positieve initiatieven die er genomen worden om het tij te keren. En ja, die zijn er. Zoals bijvoorbeeld de YA-boekenweek die volgend jaar voor het eerst gehouden zal worden. Mooi dat die nu ook besproken worden: goed nieuws blijkt toch ook nieuws te kunnen zijn.

Er werd tevens een oproep gedaan voor meer strijdbaarheid onder auteurs. Daar sta ik achter. Want niemand heeft ooit iets veranderd door stil op zijn zolderkamertje te blijven lijden. Of door zwijgend in een hoekje te gaan zitten met zijn mooie boek, tot iemand hem toevallig opmerkt en zegt ‘Goed gedaan!’ Ik geloof in verhalen, maar niet in sprookjes.

Mijn brief was – hoe fatalistisch hij ook leek - een eerste oproep tot strijdbaarheid. Een vonk bij het kruitvat. Er wordt nu gepraat, gediscussieerd, al is het soms met argumenten die getuigen van weinig inzicht in de dagelijkse realiteit van collega’s als een Marie Antoinette omringd door cakejes.

Hoe dan ook, problemen die tot nu toe onzichtbaar waren, komen in de openbaarheid. Auteurs wisselen van mening over wat hun vak inhoudt. Er worden verhalen verteld: over de mooie en de moeilijke kanten van ons vak. Nu is het de kunst om die stemmen te laten blijven klinken. Om het in moeilijke tijden ook vol te houden. Om nieuwe wegen te vinden. Geen woorden maar daden, wil ik u niet voorhouden. Want u zou wel eens schrijver kunnen zijn. Laten we zeggen: woorden en daden.

Wie van u voegt het eerst de daad bij het woord?

Niet-sjiek postscriptum

P.S. John Doe is niet gesprongen. Maar wie had de film uitgekeken als dat al aan het begin was verteld?