Column

Eigenlijk ligt het bij de geboorte al vast

Het SCP onderscheidt een aantal ‘bronnen van macht of aanzien’ die bepalen of je tot de elite behoort. Floor Rusman voegt daar graag nog wat dingen aan toe.

Hoe egalitair ons land ook is, er bestaat nog steeds een duidelijke elite, schreef het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) vorige week. Het bureau had mensen uit verschillende lagen van de bevolking gevraagd naar hun kijk op de elite. De leden van de elite zelf vinden de ongelijkheid wel meevallen, bleek hieruit. De bovenlaag is volgens hen toegankelijker en meritocratischer geworden; een netwerk doet er nog steeds toe, maar minder dan vroeger. Ilja Leonard Pfeijffer leek dit te onderschrijven in zijn column van vrijdag: ‘Een egalitaire samenleving garandeert gelijke kansen’, schreef hij, hiermee doelend op Nederland.

Is het waar dat in Nederland iedereen gelijke kansen heeft? Bij deze vraag moest ik denken aan mijn middelbare school. Ik zat op een gymnasium in Haarlem met relatief veel mensen uit de financiële elite: zoons en dochters van bankiers, advocaten en consultants die woonden in Bloemendaal en Aerdenhout. Zij presteerden gemiddeld niet beter of slechter dan hun klasgenoten uit eenvoudiger milieus: als je een wiskundesom moet oplossen, heeft je afkomst geen invloed op je cijfer.

De verschillen tekenden zich pas later af. Van de mensen met wie ik in 2004 eindexamen deed, is bijna iedereen die ik op school tot de financiële elite rekende nu zelf bankier, advocaat of consultant. En wie destijds buiten die groep viel, heeft nu een ander soort baan: ambtenaar, promovendus, muzikant, verkoper van land- en wandelkaarten.

Het SCP onderscheidt een aantal ‘bronnen van macht of aanzien’ die bepalen of je tot de elite behoort: vermogen, lidmaatschap (van het corps bijvoorbeeld), netwerk, kennis, familie, vaardigheid en charisma. Op basis van bovengenoemde ervaringen wil ik daar nog twee dingen aan toevoegen: presentatie en zelfbeeld.

Bij presentatie gaat het om een zelfverzekerde uitstraling en de juiste manieren. Klasgenoten uit de elite die zichzelf in de nesten werkten door te pesten of slecht te presteren, wisten docenten zo in te palmen dat ze toch werden gematst. Deze sociale behendigheid hadden ze van huis uit meegekregen, en ongetwijfeld later bij het corps verder ontwikkeld.

Maar het zelfbeeld is denk ik nog belangrijker. Hoe komt het dat iemand uit Haarlem-Noord minder snel advocaat wordt dan zijn klasgenoot uit Bloemendaal, ook al halen ze dezelfde cijfers? Het antwoord is eigenlijk simpel: je sociale omgeving bepaalt je referentiekader. Wie uit een advocatenmilieu komt, zal waarschijnlijk geen ambtenaarsloopbaan overwegen. En bij iemand uit een links kunstenaarsnest zal het niet snel opkomen om bedrijfskunde te gaan studeren. Het vergt lef en verbeeldingskracht om jezelf voor te stellen als iets totaal anders dan wat je ouders zijn.

Hier is weinig aan te doen, nog los van de vraag of dat wenselijk zou zijn. Maar het is goed om te bedenken in het debat over gelijke kansen: bij de geboorte ligt meer vast dan we graag geloven.