Zo voelt dat dus, oorlog voeren

Vandaag opent het Nationaal Militair Museum in Soesterberg voor publiek. En ja, er staan veel toys for boys. Maar je leert er vooral hoe oorlog eruit ziet en hoe moeilijk militaire keuzes zijn.

Talloze legervoertuigen in het nieuwe Nationaal Militair Museum, maar ook het kunstbeen van de soldaat die op een bermbom liep. En schermen waarop je militaire beslissingen moet nemen. Foto’s Peter de Krom

Ik ben een arts in het leger van de Prins van Oranje en krijg een gewonde Spaanse soldaat op mijn behandeltafel. Wat doe ik, vraagt de arts. Laten creperen, of me aan de eed van Hippocrates houden met de kans dat hij later weer tegen ons vecht?

Of: ik leid een patrouille op Java en word door een sluipschutter vanuit een kampong onder vuur genomen. Het is 1947. Wat doe ik, vraagt de patrouilleleider. De kampong in om de schutter te zoeken, met de kans dat hij mijn mannen treft? Of mortiervuur erop, met de kans op onschuldige doden? Je mag het zeggen.

Ik toets: de mortieren. „We zien de granaten inslaan”, zegt de soldaat. „Daarna gaan we het dorp in. We vinden een dode vrouw. Of we de schutter hebben geraakt, weet ik niet.”

De aanraakschermen die je zulke dilemma’s voorschotelen, zijn gemonteerd in kleine, bijna knusse zitjes, maar je staat er oncomfortabel weer uit op. Als ze een ding duidelijk maken, is het dat dit geen gewoon militair museum wil zijn.

Ja, in het fonkelnieuwe Nationaal Militair Museum (NMM) in Soesterberg, dat deze week geopend is door koning Willem-Alexander en vandaag opent voor publiek, kun je je vergapen aan duizend bommen en granaten.

En aan de kanonnen en vliegtuigen die ze door de eeuwen heen bij de vijand hebben bezorgd. Aan het Nederlandse vaandel dat nog bij Waterloo heeft gewapperd. Aan sabels, harnassen en insignes. Kinderen mogen een karabijn optillen om te voelen wat een wapen weegt. „Maar dit museum wil ook voorbij het object kijken”, zegt Hedwig Saam, de kersverse NMM-directeur.

The sound of freedom

Militaire keuzes zijn niet altijd zwart-wit. Goed en fout, succes en nederlaag kunnen vlak bij elkaar liggen in de banale werkelijkheid van de oorlog. ‘Voorbij het object’ – daartoe behoren ook de tientallen persoonlijke verhalen, ook die uit minder heroïsche, of zelfs abjecte episodes uit het Nederlandse militaire verleden.

Het NMM-gebouw van zwart metaal en groen glas, langs de startbaan van de voormalige vliegbasis Soesterberg, heeft 106 miljoen euro gekost en lijkt inderdaad nog het meest op een luchthaventerminal.

Er waaien geen kerosinewolken meer over de startbaan. In 1994 vertrok de laatste van de Amerikaanse gevechtsvliegtuigen die hier veertig jaar lang waren gestationeerd. In die tijd heetten decibellen nog ‘the sound of freedom’ en was ’s lands eerste McDrive, om de hoek van de basis, een exotische attractie.

In 2008 wiekte ook de laatste Nederlandse Chinook naar elders. Sindsdien maakt alleen een zweefvliegclub nog gebruik van een stukje asfalt.

Zo is Soesterberg bijna terug bij af, in 1913, toen vliegtuigjes van hout en zeildoek hier op de ‘vliegweide’ hun debuut maakten als de ‘Luchtvaartafdeeling’ van het leger. De eerste verkeerstoren, een luchtig, pagodeachtig gebouwtje is zojuist gerestaureerd.

Koude Oorlogsgevoel

Toch is de oorlog nooit ver weg. Wie naar het museum wandelt via de scenic route, via het fietspad over de oude startbaan en door het bos, komt nog overal restanten tegen: stukken ijzer en beton in het gras, een waterdichte telefoon, elektrische aansluitingen: ‘Hoge spanning. Levensgevaarlijk’. En voor het authentieke Koude Oorlogsgevoel zijn er zelfs bunkers gerestaureerd.

Bij de ingang van het NMM staat een lanceerinstallatie voor gronddoelraketten. Het is geen al te nieuw model, maar ook weer niet veel ouder dan de raketten die nu in Oost-Oekraïne staan. En even denk je dat de betonnen ‘drakentanden’ bij de ingang een historische tankversperring zijn, maar nee, ze zijn gloednieuw, en bedoeld om te voorkomen dat iemand met een bomauto tot bij de voordeur komt. Zo raken de echte oorlog en de museale elkaar hier voortdurend.

Dat geldt misschien nog het minst in het magnifieke Arsenaal, zoals de grootste expositiehal is gedoopt. Met legervoertuigen op de grond – „In zo’n DAF 328 heb ik mijn groot rijbewijs nog gehaald”, wijst Van Vlijmen, die zijn dienstplicht als chauffeur-gewondenvervoerder vervulde – en complete vliegtuigen aan het plafond. Een Dakota, een Mitchell-bommenwerper, een Amerikaanse F-15 en een handvol Nederlandse straaljagers die elkaar, deels ondersteboven, speels achterna lijken te zitten. Het zijn allemaal machines des doods, maar hier overheerst het toys for boys-gevoel, tot en met de achteloos gestapelde munitiekisten, waarin bijvoorbeeld het gereedschap van de paardenverzorger of de tandarts-te-velde blijken te zitten (zoek de verschillen).

Gedenkteken van Kamp Holland

Er is ook de ‘zwarte doos’, een gebouw van twee verdiepingen – een museum-in-een-museum – waarin militair-historische thema’s zijn uitgewerkt.

In een van die ruimtes staat, tussen het audiovisueel geweld en een diorama van een Afghaanse patrouille, het gedenkteken dat tot 2010 op Kamp Holland in Uruzgan stond. Met de namen van de 25 Nederlandse militairen die in Afghanistan stierven. Het is een van de weinige voorwerpen die niet achter glas staan.

„Ik merk dat het niemand onberoerd laat”, zegt Van Vlijmen. „Bezoekers willen het aanraken om dichter bij die gesneuvelde soldaten te zijn. Misschien willen ze er straks bloemen leggen. Dan blijkt dat het een reliek is en nog geen museumvoorwerp. Daar krijg ik wel kippenvel van.”

Wanneer is een voorwerp, of een gebeurtenis, al rijp voor het museum?

Daarvan zijn er genoeg, voorbeeldig tentoongesteld en uitgelicht; veel musea bewaren een veelvoud van wat ze tentoonstellen achter de schermen in depots; hier staan de depots wagenwijd open. Al die musketten, pistolen en harnassen zijn zo ook dubbel-onschadelijk geworden.

Maar het NMM durft ook te pronken met onaffe, onveilige geschiedenis. Met het kunstbeen van de soldaat die op een bermbom liep. Met het geruchtmakende tv-interview van Joop Hueting over zijn oorlogsmisdaden in Indonesië, dat tot de Excessennota zou leiden. Met de tijd dat het halve land tegen diezelfde krijgsmacht in opstand leek te komen wegens de kruisraketten of de dienstplicht. En met een paar nare visioenen over hoe oorlog er in de toekomst wellicht uitziet. En dat is dezer dagen ook geen verre, veilige gedachte.

‘Oorlog is de winterslaap van elke cultuur’ (Nietzsche), is ergens op een spiegelende wand in het museum te lezen. Daar blijkt hier niets van.