Westen schendt beloften, dus honger onder Syriërs

Beloftes voor de verstrekking van voedselhulp aan Syrische vluchtelingen worden niet ingelost, stelt Erik van Ommering.

Vorige week kregen zo’n 1,7 miljoen Syrische vluchtelingen het volgende sms-bericht: „Het spijt ons zeer dat het WFP nog geen fondsen heeft ontvangen om uw blauwe kaart op te laden voor voedsel in december 2014. Wij zullen u informeren zodra fondsen zijn ontvangen en we onze voedselhulp kunnen voortzetten.”

Afzender is het Wereldvoedelprogramma (WFP), de organisatie die een cruciale rol speelt in de opvang van Syrische vluchtelingen in Libanon, Turkije en Jordanië. Nederland en andere landen hebben sterk ingezet op hulpverstrekking ‘in de regio’, want dit zou het bereik van geïnvesteerde middelen vergroten én de instroom van vluchtelingen in de Europese Unie beperken.

Bij registratie in een van de buurlanden ontvangen vluchtelingen een blue card waarop het WFP maandelijks 30 dollar stort. Met dit tegoed kunnen ze bij geselecteerde winkels basale levensmiddelen inslaan.

De afgelopen maanden heeft het WFP de internationale gemeenschap diverse keren opgeroepen om de beloftes voor financiële steun na te komen. Tevergeefs, zo blijkt nu. Per week is 35 miljoen dollar nodig voor voedselhulp aan vluchtelingen in Turkije, Jordanië, Egypte en Libanon. Het uitblijven van deze steun leidt uiteraard tot honger onder honderdduizenden mensen die een gruwelijke oorlog zijn ontvlucht, en ook tot een verdere sociale ontwrichting in samenlevingen waarvan de reserves al tot het uiterste zijn opgerekt.

Nadat het WFP de opschorting van voedselhulp bekendmaakte, waarschuwde de Libanese minister van Sociale Zaken dat dit tot hongernood zal leiden onder 700.000 vluchtelingen in zijn land. Het is onbekend hoeveel vluchtelingen zich precies in Libanon bevinden: de UNHCR heeft er 1.132.258 geregistreerd, maar het totale aantal wordt doorgaans tussen de 1,6 en 1,8 miljoen geschat. Daarmee bestaat bijna eenderde van de totale populatie uit vluchtelingen. Rekenen we dit om naar Nederlandse begrippen, dan gaat het om een instroom van 5 miljoen mensen in drie jaar tijd, en allemaal maken ze aanspraak op gezondheidszorg, onderwijs, drinkwater, elektriciteit en banen. En om ruim 2 miljoen mensen die sinds 1 december geen voedsel meer ontvangen.

In Nederland zou dat een ramp betekenen, in Libanon zijn de gevolgen niet te overzien. Bijna 30 procent van de bevolking leeft onder de armoedegrens; decennia van conflict hebben geleid tot een zwakke staat die niet eens in hun behoeftes kan voorzien. Bomaanslagen, hinderlagen en kidnappings zijn aan de orde van de dag, de grens is vervaagd, de autoriteit van welke staat dan ook is ver te zoeken.

De rek is er wel uit aan Libanese kant.

De voedselcrisis en daaruit voortvloeiende nood zouden zomaar eens de druppel kunnen zijn; na ruim drie jaar dreigt de Syrische crisis daadwerkelijk over te slaan naar buurland Libanon. Generaties Libanezen, die de lange burgeroorlog tussen 1975 en 1990 doorstonden, kennen dat scenario maar al te goed. Libanon kent weinig instituten die kunnen verhinderen dat milities en sektarische logica dan de overhand krijgen. Dit geeft vrij spel aan een ieder die nog een appeltje te schillen heeft met wie dan ook – denk aan Hezbollah, Israël of de honderdduizenden Palestijnse vluchtelingen in Libanon.

Het ressentiment tegen vluchtelingen wordt steeds vaker zichtbaar. In het geval van een escalatie is er voor hen geen uitweg meer.

Hervatting van voedselhulp is een eerste vereiste vanuit humanitair oogpunt. Het is tevens van belang als het gaat om het behouden van enige orde.

Maar voedselhulp biedt geen oplossing voor een structurele crisis die inmiddels enorm uit de hand is gelopen. Politici in binnen- en buitenland zijn weggelopen voor hun verantwoordelijkheid toen een autocratisch bewind werd uitgedaagd; hun passiviteit liet toe dat het bewind zelfbehoud boven elk ander belang kon verheffen. Dat gaf op zijn beurt de ruimte aan wapenhandelaren en allerhande religieuze en politieke fanatici om hun liefhebberijen na te streven.

De humanitaire crisis die daarmee ontstond, kent zijn weerga niet en legt corruptie bloot die wij niet alleen kunnen toeschrijven aan ‘die gekken in het Midden-Oosten’, maar net zo goed moeten betrekken op onszelf en onze verantwoordelijkheid om de baten van democratie, globalisering, en wapenregulering te delen met de rest van de wereld. Het huidige beleid zou landen buiten ‘de regio’ allereerst moeten aansporen om hun verantwoordelijkheid voor de voedselverstrekking in de buurlanden van Syrië in te lossen.