Waarom angst een politiek massaproduct kon worden

Op wie moet je letten om Den Haag te begrijpen? Deze week: Ruud Koole, het SCP en de verwarde elite. Ofwel: waarom symboolpolitiek het bijna altijd van gewone politiek wint.

Tekst Tom-Jan Meeus Illustratie Ruben L. Oppenheimer

Kleine les van 2014: als een PvdA’er nog in het nieuws komt met een misstand, gaat de misstand over de PvdA’er zelf. Zo mochten we deze week de ontluisterende reactie van oud-partijvoorzitter Ruud Koole aanschouwen nadat ze hem afserveerden voor de Eerste Kamer.

Dit was misschien niet leuk. En misschien onrechtvaardig. Maar ja – die dingen gebeuren. Je kon niet volhouden dat het land de laatste jaren hunkerend naar de bijdragen van senator Koole had uitgezien. En als het slecht gaat met een partij heb je algauw het bekende probleem: te veel kandidaten voor te weinig zetels.

Juist dan, zou je zeggen, moet het voor een oud-voorzitter, tevens hoogleraar politicologie, logisch zijn dat je handelt volgens de waarden die je als partij uitdraagt.

En voor het geval u het was vergeten: onder dezelfde Koole aanvaardde de PvdA in 2005 nog een vernieuwd beginselmanifest. „Solidariteit”, stond er, „gedijt op een stevige ondergrond van saamhorigheid en lotsverbondenheid.” Maar van saamhorigheid en lotsverbondenheid met de partij was even niets te merken nu dit deze week van Koole zelf werd verwacht: nog dezelfde dag bleek dat de PvdA-top, wat hem betrof, naar de maan kon lopen.

Hij typte een brief op poten („onverkwikkelijk”, „weinig respectvol”), die lekte uit, er kwamen interviews, en zo kreeg Koole alle aandacht voor het theorietje dat in zijn ogen verklaarde waarom hem dit onrecht had getroffen. Het lag niet aan hem: het lag aan anderen. „Mijn kritische beschouwingen over de koers van de partij worden kennelijk in de huidige partijtop niet gewaardeerd”, aldus Koole in zijn brief, waaruit collega Thijs Niemantsverdriet deze week uitvoerig citeerde.

Op zich kon dit kloppen (al zou ik zeggen: toon het eerst aan), maar wat me vooral trof was de bliksemsnelle draai naar het slachtofferschap die Koole maakte. Zonder gêne smeekte hij PvdA-leden op televisie of ze hem, nu de partijtop zijn nobelheid afstrafte, alsnog een verkiesbare plaats wilden bezorgen: het slachtoffer verdiende beloning.

En dit zou allemaal niet zo erg zijn geweest als niet uitgerekend deze week het SCP, in haar Sociaal en Cultureel Rapport, had geschetst hoe negatief burgers zijn over dit type strijd om politieke functies. Het bevestigde mensen in hun slechtste gevoelens over politici; het was de beste antireclame die een PvdA’er voor de PvdA kan maken.

Om u een idee te geven: in De eenzame elite, een fraai hoofdstuk over de verharde relatie tussen boze burgers en de „beduusde” bovenlaag, liet het SCP zien dat slechts 13 procent (!) van de bevolking denkt dat mensen in de bovenlaag „eerlijk” aan hun positie komt. Eén zo’n boze burger zei dat de elite voor hem bestaat uit „klaplopers en graaiers zoals de Kamerleden en andere politici”.

Nu hebben de meeste politici, anders dan Koole, allang door dat de vlag er zo bij hangt: zij doen er nu werkelijk alles aan om het idee te vermijden dat zij nog tot de elite gerekend worden.

Want waar burgers zich volgens dat SCP-onderzoek graag groter maken dan hun positie rechtvaardigt – iedereen een zeven –, daar hebben diezelfde burgers een grondige afkeer van medeburgers met een acht of hoger. Bijzonder presteren is suspect – dat kun je, ook als politicus, beter verbergen.

Zodoende zagen we D66-leider Pechtold deze week in Nieuwsuur vertellen dat ook hij zich verre van de elite verwijderd acht: hij gaf zichzelf een 7,5. Zelfs wie zich als kandidaat-premier beschouwt, zal uiterste afstand tot de elite moeten houden.

Het accentueert de trend die we sinds Pim kennen. Het bracht ons het tijdperk binnen waarin symboolpolitiek het bijna altijd van gewone politiek wint. Waarin niemand in het geweer komt als de Kamervoorzitter vertelt dat zij moest googelen wat ICT eigenlijk betekent. Waarin het voor politici riskant was alleen te sturen op rationaliteit en deskundigheid. Waarin spelen met angst het nieuwe politieke massaproduct werd.

Je zag het in het groot en in het klein. Donderdagmorgen was ik voor een jaarterugblik nog even in Woerden, in het Schilderskwartier, de representatieve wijk die ik geregeld bezoek. Mijn ervaring was er dat mensen zelden met politiek bezig waren, en dat was deze keer niet anders. Zo trof ik bij het lokale tv-station RPL een vrijwilliger die gloedvol vertelde over talrijke reacties op zijn recente reportage bij de lokale vereniging voor rolstoeldansen: De Swingende Wielen.

Toch wisten mensen zich hier nog goed te herinneren dat lokale partijen dit voorjaar in de gemeenteraadscampagne een nummer maakten van mogelijke paalrot door zakkend grondwater. De fundering van talrijke woningen werd bedreigd.

Ook alle landelijke raadspartijen, merkte ik toen, voerden campagne op dit thema, uit angst dat de lokalen kiezers wegkaapten. Niet dat het hielp: Woerden koos in maart drie partijen met populistische trekken in de raad, die nu negen van de 31 zetels bezetten.

Zoals deskundigen toen al voorzagen, werd dit vorige week na maanden onderzoek bevestigd: dat hele probleem van die verrotte funderingspalen was opgeklopte onzin. Burgers in deze wijk waren bang gemaakt voor een gevaar dat nooit bestond. Ergo: al die partijen hadden in de campagne hun verstand te eenvoudig uitgeschakeld – en nodeloos angst van de burger gevoed.

Op nationale schaal heb je momenteel iets soortgelijks inzake Syriëgangers, begreep ik woensdagavond, bij het Haagse debatcentrum ProDemos, uit een optreden van Quirine Eijkman.

Zij is onderzoeker van het Leidse Centre for Terrorism and Counterterrorism en had een opmerkelijke bijdrage aan een debat over de invloed van internationale ontwikkelingen op de nationale politiek. Zij zei dingen die mensen in kringen van inlichtingendiensten alleen maar fluisteren: dat het probleem van de Syriëgangers vermoedelijk opgeklopt wordt.

Eijkman leidde haar analyse in met een verwijzing naar recent wetenschappelijk onderzoek naar de Hofstadgroep. Dit „was nooit een groep geweest”, vertelde ze.

Dat klonk misschien belegen maar het was volgens haar fundamenteel: de beeldvorming over de ernst van het Hollands jihadisme had na de moord op Van Gogh meteen de genuanceerde werkelijkheid weggedrukt.

En zij wees erop dat het huidige debat over Syriëgangers al even „vluchtig is”, ook weer vooral „gebaseerd op aannames”, terwijl „veel van die aannames emotioneel gedreven” zijn. „In feite begrijpen we niet goed wat daar aan de hand is”, zei ze. „Is iedereen die naar Syrië gaat jihadist? Daar ben ik lang niet van overtuigd.”

Na afloop sprak ik haar nog even. Waarom, vroeg ik, was deze sceptische stem, die je wel in inlichtingendiensten en Amerikaanse publicaties terugvindt, vrijwel afwezig in het nationale debat?

We kwamen erop uit dat tegenspraak in dit klimaat amper te doen was: nu politici, ambtenaren en adviseurs vooral angst voor aanslagen wilden communiceren, om later een mogelijk verwijt van wegkijken voor te zijn, was het onmogelijk een evenwichtig debat te voeren, dacht ze.

Niet erg opbeurend allemaal. Politici draaiden rondjes in een vicieuze cirkel van eigen makelij. Zij hielden afstand van (deskundige) elites uit angst voor opstandige burgers. Zij spraken burgers naar de mond om die angsten te ‘benoemen’. Zodat deze angsten slechts toenamen.

Iemand, zou je zeggen, moest dit op een dag doorbreken. „Mensen willen gerustgesteld worden”, zei René Cuperus, Volkskrant-columnist, woensdag op dat avondje. Het leek me een waar woord.

Maar eerder deze week had ik op het Binnenhof begrepen dat „veiligheid, nationaal en internationaal” vanaf januari voor grote partijen een cruciaal campagnethema wordt. In hun streven nooit meer voor elitair versleten te worden, hadden politici alle angsten van burgers gekopieerd, en waren zij bereid die eindeloos te exploiteren.

Aannames, feitenvrije politiek, slachtofferschap: dat gedrag zag je niet alleen terug bij Koole. Daar rustte in brede kring geen taboe meer op.

Ooit had je in Den Haag bestuurders, vooral van anti-revolutionaire huize, die graag zeiden dat democratie geen zaak was voor bange mensen. Anno 2014 was politiek een zaak voor en van bange mensen geworden.