Straatmuziek

Een paar jaar geleden stonden voor het Centraal Station in een zonnig hoekje vaak drie straatmuzikanten, uit Roemenië. De klarinetist domineerde, de andere heren ondersteunden hem met een viool en een gitaar. Op weg naar mijn werk kwam ik er toen vaak langs, bleef even luisteren. Ze maakten goddelijke muziek. Dat heb je soms met zulke artiesten. Op een of andere manier raken ze je in het diepst van je ziel, veroorzaken heimwee naar onbekende verten, een verlangen naar het onzegbare dat onderweg verloren is gegaan. Ik liet een euro in het bakje vallen, dacht: dat is te weinig, maakte een lichte buiging en liep verder.

Toen, op een mooie zomerochtend, stond er een agent bij. Geen muziek, veel gepraat. De heren pakten hun instrumenten in en liepen langzaam in de richting van de stad. Ik ging naar de agent en vroeg wat er aan de hand was. Het is hier verboden muziek te maken, zei hij. Waarom? Dit is toch prachtige muziek? Daar had hij niets mee te maken. Het personeel dat in de bovenverdieping van het station zat te werken had er last van. Die club moest weg.

In dezelfde tijd stond in de Mozes en Aäronstraat naast het Paleis een kleine blinde man met een buikorgeltje. Eerst had hij in de Paleisstraat gestaan maar daar zullen waarschijnlijk ook wel hardwerkende mensen last van hem hebben gehad zodat hij moest verhuizen. Hij had geen opmerkelijk repertoire maar hij veroorzaakte wel dezelfde melancholie. Ook uit die tochtige straat is hij intussen verdwenen.

Toen vond ik op Sinterklaas in de tram een exemplaar van de gratis krant Metro met op de voorpagina in vette letters de kop van het belangrijkste artikel: Woede tegen artiest van de straat. Dezelfde week was in een Zwols winkelcentrum een Bulgaarse muzikant door een 17-jarige jongen, een psychiatrische patiënt, met zeventien messteken doodgestoken. Volgens regelmatige bezoekers was de Bulgaar een buitengewoon aardige man geweest. Het moderne rouwbeklag begon. Er werden bloemen gelegd en een stille tocht gehouden. En bij mijn weten werd in Metro voor het eerst de andere kant belicht.

Steeds meer mensen beginnen de pest aan straatartiesten te krijgen. Dat geldt dan in het bijzonder voor levende standbeelden, mannen die zich als historisch persoon hebben verkleed en dan bijvoorbeeld op de Dam roerloos op een sokkeltje staan. Ik raak er niet van onder de indruk, maar ergeren? Nee. Ik krijg een beetje medelijden en geef mijn honorariumpje. Je zal daar een groot deel van de dag staan, je vrijwel niet mogen bewegen en intussen misschien door duizenden worden aangegaapt, of beledigd, gepest. Dat alles om je brood te verdienen.

Door het drama in Zwolle en het verhaal in Metro werd ik nieuwsgieriger. Er is een website, straatartiesten.nl, beheerd door Roel van Dongen. Daar vond ik veel van wat ik wilde weten. Je kunt er waardering en klachten kwijt. En, laat de samensteller weten, „hoe het staat met de cultuur van een land kun je aflezen aan wat er op straat gebeurt”. Dat laatste is waar, maar misschien anders dan de schrijver bedoelt.

Toen ik een kleine jongen was, voor de oorlog, kwamen iedere week de twee orgelmannetjes langs met hun driewielige muziekmachine. De kleinste, een tandeloos ongeschoren mannetje, belde aan en kreeg een kwartje; zijn collega draaide aan de slinger en maakte zodoende de muziek. Het was niet de muziek van het soort draaiorgel waaraan we in Amsterdam gewend zijn, maar een gevarieerd getingel, alsof er belletjes, triangels werden aangeslagen. Ik vond het mooi, ik ging met een oor tegen het gaas van de geluidskast staan. Veel later ben ik in Amsterdam gaan wonen en hier heb ik kennis gemaakt met het orthodoxe draaiorgel. Dat werd toen nog met de hand bediend. Later is het gemotoriseerd.

Misschien moet je wat ouder en geboren Amsterdammer zijn, verwant aan André Hazes, om er een beetje ontroerd van te raken. Voor mij zij het meer lawaaimachines. Maar om de orgelman daarvoor een pak rammel te geven – het is in de verste verte nog nooit in me opgekomen. Maar Roel van Dongen heeft gelijk: wat er op straat gebeurt, is een aanwijzing voor de toestand van een nationale cultuur. Sinds onze historische burgeroorlogen zijn er in de openbare ruimte niet zoveel mensen mishandeld, in elkaar geslagen. Is de straatmuziek daarvan een van de ooorzaken? Dan is het nog erger met ons gesteld dan ik gedacht had.