Stadsgezichten met vooral dynamische skylines en heel weinig sloppen

Een loflied op de stad, waarom niet? Een stad is veel meer dan een dorp of provincieplaats. Hij is tegelijk zichzelf en een staalkaart van de wereld, met een keur aan waren, werkplekken en wereldbeschouwingen, vermakelijkheden en vervoermiddelen, levenswijzen en kunstbelevingen.

Steden dienen al zo’n zevenduizend jaar als ontmoetingsplaatsen van vreemdelingen, uiteenlopende denkbeelden en gedragingen, en dat leidde voortdurend tot verandering. Door de dichtheid van de bevolking, door contacten met vreemdelingen en ook door de concentratie van rijkdom zijn steden altijd voorop gegaan in de sociale en culturele evolutie.

De zojuist verschenen Atlas of Cities van Princeton University Press is te beschouwen als een hommage aan de stad, maar de samenstellers zijn wetenschappers, geen dichters. De kwaliteiten van steden, zoals hierboven opgesomd, worden afgewogen tegen de schaduwzijden van de stadse werkelijkheid. Toch is de balans positief.

Atlas of Cities, onder redactie van Paul Knox, hoogleraar stadsgeografie aan Virginia Tech, is een kruising tussen een historische en een geografische atlas. Hij brengt zowel de ontwikkeling in de tijd als de hedendaagse varianten van ‘de stad’ in beeld. En je kunt er zowel in kijken als in lezen. De kaarten zijn instructieve infographics, die nu eens inzoomen naar wijken, voorzieningen en monumenten, dan weer uitzoomen naar internationale transportsystemen en goederenstromen.

De tekst is een mooie mix van disciplines – geschiedenis, geografie, sociologie – en is helder, met een minimum aan vakjargon. Veel wist de lezer al, maar het wordt allemaal zó mooi opgediend en gerangschikt dat het nieuwe vergezichten opent.

Het is, kortom, een goed geschreven en fraai vormgegeven boek. Maar op de accenten valt wel wat aan te merken. De samenstellers onderscheiden dertien typen steden, en die typologie is een beetje willekeurig. Ze beginnen met de ‘foundational city’, met als voorbeelden de stadstaat Athene en de stad Rome. Een afzonderlijk hoofdstuk is gewijd aan de ‘imperial city’, met als prototype Istanbul, hoofdstad van het Oost-Romeinse en Ottomaanse Rijk. Londen wordt behandeld als ‘global city’, het type dat in de wereld van nu fungeert als knooppunt van internationale monetaire, commerciële en informatiestromen. Londen, en ook Rome, hadden evengoed gerangschikt kunnen worden als ‘imperial cities’.

Rome en Athene krijgen veel aandacht, terwijl de alleroudste steden (in China, in Mesopotamië) in het boek nauwelijks aan bod komen. Babylon bestaat niet meer, maar Beijing wel, en daar was al een stad in de 11de eeuw v. Chr.

De samenstellers leggen sterk de nadruk op sociale, culturele en etnische diversiteit als een kwaliteit van steden door de eeuwen heen. Ze zien dit als een sleutel tot de stedelijke dynamiek. Dat Rome niet discrimineerde naar etnische achtergrond en Athene een scherp onderscheid maakte tussen burgers en buitenstaanders, zou het succes van de een en de slechts kortstondige bloei van de ander helpen verklaren.

Toch kan de stad ook een jungle zijn, waarin gelukszoekers verdwalen of verslonden worden. Dat zien we bijvoorbeeld in het hoofdstuk over Manchester, prototype van de ‘industrial city’, met zijn 19de-eeuwse kelderwoningen, open riolen en besmettelijke ziekten.

Dat meer desolate stadsgezicht komt te weinig in beeld als het gaat over de steden van nu. Er is veel aandacht voor ‘intelligente’, ‘groene’ en ‘creatieve’ steden – en die liggen allemaal in het Westen. Aan de sloppen van ‘megacity’ Mumbai wijdt de atlas maar twee bladzijden, als waren ze een randverschijnsel.