Onenigheid over beursgang ABN

ABN Amro wil met maximale bescherming tegen een vijandig bod naar de beurs. Maar de staat ligt dwars.

ABN Amro en haar eigenaar, de Nederlandse staat, zijn het niet eens over de manier waarop de bank naar de beurs gebracht moet worden.

De raad van bestuur van ABN voert op dit moment gesprekken met haar enige aandeelhouder, de stichting NL Financial Investments (NLFI), die onder het ministerie van Financiën valt. In die gesprekken mag ABN Amro haar standpunten met betrekking tot de beursgang toelichten. Die standpunten verschillen op een belangrijk onderdeel van die van de aandeelhouder. Dat bevestigen verschillende betrokkenen bij de beursgang.

ABN Amro werd in 2008 door de staat genationaliseerd, nadat ze in problemen was gekomen door de kredietcrisis. Waarschijnlijk wordt de bank volgend jaar terug naar de beurs gebracht. ABN Amro en NLFI verschillen vooral van mening over de beschermingsconstructie die de bank moet krijgen als zij naar de beurs gaat.

Vijandige overname

Het bestuur van ABN wil dat de bank vanaf het moment van de beursgang beschermd is tegen een vijandige overname. Dat is een gevoelig punt voor de bank. In 2007 werd ABN Amro overgenomen door een consortium van drie buitenlandse banken (RBS, Santander en Fortis) en vervolgens in stukken opgeknipt en verdeeld onder de consortiumbanken. Dit tegen de zin in van het toenmalige bestuur. Het huidige bestuur wil niet dat ABN nog een keer in zo’n situatie belandt.

Als het aan hen ligt, wordt bij de beursgang een speciale stichting opgericht die in actie kan komen in het geval van een vijandig bod. Aandeelhouder NLFI wil ook dat er zo’n stichting komt, maar die mag pas optreden als het belang van de staat is verminderd tot minder dan 30 procent. Dat kan een paar jaar duren. ABN wordt vermoedelijk in stukjes naar de beurs gebracht.

ABN wil niet dat er in de tussentijd een ongewenst overnamebod tussenkomt, waarbij er in haar ogen nog onvoldoende bescherming is. De minister van Financiën zou gevoelig kunnen zijn voor een hoog bod. Hij wil immers zo veel mogelijk van het geld terugverdienen dat ooit, bij de nationalisatie, in ABN is gestoken.

Eindstadium

De gesprekken tussen de bank en de aandeelhouder zijn begin deze maand begonnen. Ze bevinden zich momenteel in het eindstadium, zeggen ingewijden. Naar verwachting stuurt het NLFI nog voor het kerstreces een advies aan minister Dijsselbloem (Financiën, PvdA), die de eindbeslissing moet nemen. De NLFI zal naar alle waarschijnlijk volharden in de omstreden beschermingsconstructie. Het advies van NLFI is zwaarwegend voor de minister. Die neemt zijn besluit waarschijnlijk „begin volgend jaar”, zei hij recentelijk in de Tweede Kamer.

De beschermingsconstructie zoals ABN Amro die graag wil, is een gebruikelijke. De meerderheid van de grootste Nederlandse beursfondsen hebben er een, zeggen overnameadvocaten die ervaring hebben met beursgangen. Voorbeelden van zulke bedrijven zijn Ahold, ING en Philips.

Een woordvoerder van het NLFI zegt vooruitlopend op het advies niet te kunnen zeggen waarom zij een andere variant wil dan ABN. Hij verwijst naar een eerder advies van augustus vorig jaar, waarin de aandeelhouder ook aangaf een dergelijke constructie te willen. Daarin wordt echter geen expliciete reden genoemd. Het NLFI zegt in het algemeen dat het haar taak is om de belangen van de staat zo veel mogelijk te „beschermen”.

Een mogelijke constructie zoals ABN die voorstaat, zou de opbrengst voor de staat kunnen verminderen. Hoe meer een bedrijf beschermd is, hoe minder beleggers in het algemeen bereid zijn ervoor te betalen. Maar dat hoeft niet zo te zijn. Sommige bankenanalisten zeggen dat beleggers zo’n beschermingsconstructie geen probleem zouden vinden. Omdat ook die uiteindelijk een overname niet kan blokkeren.

Wanneer ABN Amro precies naar de beurs gaat, is nog onduidelijk. De verwachting is volgend jaar. Minister Dijsselbloem boog zich een jaar geleden ook al over de toekomst van ABN. Toen zei hij dat ABN zich intern vast moest voorbereiden. Een jaar later zou hij dan waarschijnlijk een definitieve beslissing nemen. „Op zijn vroegst” kon de bank dan in het tweede kwartaal van 2015 naar de beurs. Mogelijk wordt het inmiddels een paar maanden later.

De staat heeft in totaal destijds 21,7 miljard euro betaald voor de redding van ABN Amro. Dat dat bedrag niet in zijn geheel terugkomt, staat vrijwel vast.