‘Mijn oratie hield ik in gebarentaal, doodeng’

Beppie van den Bogaerde (61)

is hoogleraar Nederlandse gebarentaal. Ze strijdt voor de emancipatie van doven.

Voorliefde

„In ons gezin deed iedereen iets met cijfers. Belastingen, boekhouden, auditing. Ik kon daar niets mee, was juist altijd met taal bezig. Mijn vader werkte voor een Engelse firma en zei ‘bye bye’ als hij wegging. Ik herinner me dat ik al jong dacht: hé dat is Engels, hoe kan je nou twee talen spreken? Zoals ik me later ook afvroeg waarom ik de ouders van mijn Molukse vriendinnetjes niet verstond en hoe het kon dat mijn kleine neefjes en nichtjes leerden praten. Ik keek met open mond naar Caterina Valente op televisie, die sprak Duits, Italiaans en Frans.”

Vondst

„Ik werd tolk en vertaler Engels, haalde mijn diploma toen de kinderen klein waren. Maar ik wilde niet lesgeven, ik wilde met taal zelf bezig zijn, met iets onbekends. Tijdens een van mijn eerste colleges vertelde de docent over de Nederlandse Gebarentaal. Een alternatieve uitingsvorm van taal! Ik was meteen verkocht. De fascinatie bleef toen ik gebarentaal ging leren. De grammatica wordt onder andere gevormd door je lichaam en je blik; het optrekken van je neus heeft soms een grammaticale functie. Magisch. Het bleek een taal met regels, te bestuderen dus, dat vond ik haast ongelooflijk in het begin.”

Bewustwording

„Ik kreeg dove collega’s en vrienden, merkte langzaam dat het bestuderen van de taal niet genoeg was. Er hoorde een gemeenschap bij, een cultuur en een strijd. Dove mensen zien zichzelf niet als gehandicapt. Ze werken, worden verliefd, hebben vrienden. Maar de maatschappij isoleert ze; veel doven werken onder hun niveau. De Nederlandse Gebarentaal is niet erkend als taal. Dan is niets een recht. Bij de dokter liggen folders in het Turks, niet in gebarentaal. In de Verenigde Staten is bij openbare gelegenheden altijd een gebarentolk. Die houding gaat het om, dat doven erbij horen.”

Identiteit

„Tegenwoordig krijgen de meeste dove kinderen een cochleair implantaat, waarmee ze geluid kunnen waarnemen. Ik vind dat een ethische kwestie, omdat ze daarna vaak als (slecht)horend worden opgevoed. Maar zonder apparatuur zijn ze nog steeds doof, in een drukke omgeving op z’n best slechthorend. Verander je iemands wezen met een implantaat? Bovendien is het niet zeker dat een kind er goed mee leert spreken en luisteren. Als het niet lukt, heeft het jaren gebarentaal gemist. KNO-artsen informeren ouders veel te weinig over gebarentaal. Dat vind ik kwalijk. ”

Pleidooi

„Ik heb veel onderzoek gedaan naar hoe dove ouders communiceren met hun kinderen, doof of horend. Ze gebruiken zowel gebaren als spraak, weten we nu, en alle kinderen leren uiteindelijk beide talen. Voor kinderen zijn gebaren heel natuurlijk. Er is nu een lesmethode die Nederlandse kinderen op de lagere school Frans leert met behulp van gebaren. Ik pleit voor meertaligheid op scholen. Gebarentaal zou een verrijking zijn, maar ik vind het ook zot dat een kind niets in het Turks zou mogen zeggen. Gebruik de ene taal als ondersteuning voor de andere. Zet het in.”

Wens

„Ik voel steeds meer weerzin tegen de eenheidsgedachte, diversiteit moet je koesteren. Mijn grootmoeder was Surinaams. Ik groeide op in Den Haag tussen Molukkers en Indische Nederlanders. De een kreeg thuis met de riem, bij de ander mocht iedereen mee-eten, niets was ongewoon. Nu zie ik hoe rijk die jeugd was. Misschien blijken implantaten emanciperend te werken voor doven. Ik hoop het. Maar dan nog moet er meer besef komen wat het betekent om te horen met een implantaat. Hoe ondoenlijk het is als iedereen door elkaar praat. Hoe vermoeiend. Hoe snel je informatie mist.”

Climax

„Voor mij was het vanzelfsprekend dat ik mijn oratie in gebarentaal hield. Doodeng, dat wel. Ik spreek het niet vloeiend, het is een tweede taal. Het was alsof ik in schoolfrans mijn verhaal ging uitspreken. Gelukkig bleek ik goed te volgen. Dat er veel doven aanwezig waren, voelde als een beloning. Het betekent dat mijn werk heeft bijgedragen, dat ik geaccepteerd ben. Dertig jaar geleden hoorde ik ook bij de grote groep Horenden, met een hoofdletter, de mensen die denken: ‘Oh, wat erg die stilte’. Voor de Doven ben ik nu een horende, met de kleine ‘h’. Fysiek horend, maar met begrip van de Dovencultuur.”