Migranten – wen er maar aan

Ian Buruma ziet ‘een wereld vol wrok’ tegen mensen die onmogelijk tegen te houden zijn. Er groeit een kloof tussen stedelijke elites en bange provinciebewoners.

Illustratie Hajo

Onlangs maande Pat McFadden, Britse ‘schaduwminister’ voor Europese zaken, zijn partijgenoten van Labour het beste te maken van de globale economie. Zij moesten immigratie niet beschouwen als een soort ziekte: „Je kunt de wrok van mensen uitbuiten, of je kunt hun betere kansen bieden. Ik vind dat we het laatste moeten doen.”

Deze wijze woorden zijn zeldzaam in een wereld vol wrok – tegen immigranten, bankiers, moslims, eurocraten, de culturele elite, ja eigenlijk tegen alles wat vreemd aandoet.

In de VS dreigen Republikeinen de regering lam te leggen, alleen omdat president Obama illegale migranten, die al jaren in de VS wonen en werken, kans geeft op een paspoort. De Britse (of eigenlijk Engelse) partij UKIP wil voor de komende vijf jaar een verbod op immigratie, ook uit de EU-landen. De Russische vice-premier Dimitry Rogozin wil „de rotzooi uit Moskou lozen”. Met ‘rotzooi’ bedoelt hij arbeiders afkomstig uit voormalige Sovjetrepublieken.

Te keer gaan

Geert Wilders, altijd op de bres voor de vrijheid om moslims te beledigen, wil de bouw van moskeeën verbieden. Ook in Denemarken en Zweden doen partijen het goed die tegen vreemdelingen tekeergaan. Zelfs de jarenlang gekoeioneerde piepkleine oppositiepartij in Singapore speelt op ressentimenten tegen voornamelijk Chinese en Indiase nieuwkomers in – die zouden de banen van autochtonen wegkapen. Terwijl bijna iedereen in Singapore uit een familie van immigranten stamt.

Wat hebben zij met elkaar gemeen, de Amerikaanse Tea Party, het Engelse UKIP, de linkse oppositie in Singapore en Geert Wilders? Zeker, toenemende werkloosheid is een factor. Maar het is onwaarschijnlijk dat de werkgelegenheid van blanke, vaak oudere aanhangers van de Tea Party serieus wordt bedreigd door arme sloebers uit Mexico of Honduras. UKIP is ook populair in delen van Engeland waar zelden een immigrant komt. Hetzelfde geldt voor de PVV; ook haar aanhang woont niet altijd in de buurt van een moskee.

De stemming tegen immigranten beheerst zowel linkse als rechtse partijen. De blanke adepten van de Tea Party en UKIP zijn verbonden met minder hoog opgeleide mensen die oprecht bang zijn hun baan te verliezen. Wat hen bindt? De angst achter te blijven in een wereld van hoge mobiliteit, steeds meer supranationale organisaties en internationale netwerken, die omhoog worden gestuwd door steeds efficiëntere informatietechnologie.

In rechtse partijen ontstaat een kloof. Aan de ene kant staan supranationale instellingen en, meestal, zakenmensen die profijt hebben bij immigratie, bijvoorbeeld omdat ze goedkope arbeidskrachten inzetten; aan de andere kant staan mensen die zich bedreigd voelen. Daarom zijn de Britse Conservatieven zo bang voor UKIP. Diens leider Nigel Farage vindt zijn extreme idee van absolute nationale onafhankelijkheid belangrijker dan economische groei.

Ook de linkse partijen zijn verdeeld. Daar staan degenen die zich tegen intolerantie en racisme verzetten, tegenover degenen die de banen van ‘onze mensen’ willen beschermen – soms uit opportunisme, soms in naam van politieke solidariteit.

Het is te gemakkelijk de angst voor immigratie puur als racisme af te doen. En het verzet tegen globalisering is niet alleen maar reactionair. De manier waarop mensen zichzelf zien, in religieuze, culturele, of nationale zin, staat onder druk van razendsnelle veranderingen. Die hebben overigens minder te maken met immigratie dan met economische ontwikkelingen over de hele wereld.

Winnaars en verliezers

De nieuwe wereldeconomie kent winnaars en verliezers. Hoog opgeleide mensen die zich gemakkelijk over de grenzen bewegen, horen bij de winnaars. Veel anderen blijven achter. De nieuwe klasseverhoudingen gaan nu minder over arm en rijk. Nee, de echte klasseverschillen bevinden zich tussen hoog gekwalificeerde stedelijke elites en mensen, vaak in de diepe provincie, die de bekwaamheid missen om te opereren in een internationale wereld.

Dat is niet alleen een kwestie van geld. De laatste, minder bevoorrechte groep telt dikwijls mensen die rijker zijn dan de oude stedelijke elites, maar zij voelen zich desondanks door die elites met de nek aangekeken en delen daarom de rancune van de verliezers.

Volksmenners hitsen volksgevoelens graag op, bijvoorbeeld tegen immigranten die zouden leven van onze belastingcenten. Maar het is juist het succes van veel etnische minderheden en immigranten dat afgunst kweekt. Daarom koesteren sommige Amerikanen een irrationele woede tegen president Obama. Zij zien dat mensen met een andere huidskleur steeds meer invloed krijgen. Daarom roepen aanhangers van de Tea Party en gelijkgestemde lieden in andere landen zo hard dat ze hun land weer terug willen hebben.

Dat is echter een onmogelijke eis. Tenzij we bereid zijn op grote schaal genocide te plegen, zullen mensen moeten wennen aan samenlevingen die etnisch en cultureel gevarieerder zijn dan ooit tevoren. En ook de globale economie kan nooit helemaal worden teruggedraaid. Wat niet wil zeggen dat ze niet moet worden beteugeld. Sommige zaken hebben bescherming nodig. Je kunt cultuur, onderwijs en gezondheidszorg niet helemaal blootstellen aan het darwinisme van de vrije markt.

Pat McFadden heeft een antwoord op de angst voor globalisering. „Geef mensen het gereedschap om de vruchten ervan te plukken. Laten we ervoor zorgen dat de met elkaar verbonden wereld beter voor de mensen werkt.”

Mooie voornemens. Maar ik vermoed dat deze boodschap niet aankomt bij de groepen die zich buitengesloten voelen. Dit is het probleem voor ‘progressieve partijen’: zij spreken steeds meer voor de stedelijke elites, terwijl de conservatieve partijen almaar verder naar rechts worden gedreven door provinciale populisten die vissen in de troebele vijvers van het rancuneuze volkssentiment.