Kan God niet nog één keertje?

Veel talen en verhalen komen bijeen in Babylon, en in dit ontspannen geschreven boek.

Wonderlijk dat zo veel mensen zo lang in de Schepping hebben geloofd. De bron bij uitstek, het Bijbelboek Genesis, geeft twee versies waarbij het helemaal de vraag is of het hier dezelfde Schepping betreft. Zag God soms na de eerste dat het niet goed was? Ook over de schepping van de vrouw is onduidelijkheid. Was de lieftallige Eva wel de eerste eega van Adam, of was dat Lilith, een ka die altijd de baas wilde spelen?

Nu moeten we niet alle verhalen geloven, maar we hebben niets anders. En dus zien we God als feilbare figuur, waarbij we er soms naar streven om Godgelijk te worden: Adam en Eva; Babylon en de toren. De hoogte ervan riekte naar concurrentie. Tijd voor God om alweer bij te sturen. Op dat moment is ‘de gansche aarde nog van enerlei spraak en enerlei woorden’, aldus de Statenbijbel. God roept nu de beruchte Babylonische spraakverwarring in het leven. Op die manier komt een toren nooit af. Dit alles natuurlijk ‘zoals het verhaal gaat’.

Geoloog Salomon Kroonenberg gelooft dat verhaal echter niet, getuige zijn boek De binnenplaats van Babel. Hij denkt juist dat het andersom moet zijn geweest. Om in 1110 voor Christus de werkelijk bestaande Babylonische (vierkante, pyramideachtige) ziggoerat te kunnen bouwen, de inspiratie voor de Bijbelse toren, verzamelde machthebber Nebukadnezar I arbeidskrachten uit alle hoeken van zijn rijk. Die spraken niet allemaal één taal, er zullen heel wat misverstanden zijn geweest alvorens men ‘met één mond sprak’, in het Aramees.

De Assyrische koning Sanherib verwoestte de Babelse ziggoerat, samen met heel Babylon – dat hij onder water zette door de Eufraat om te leggen. Nebukadnezar II herbouwde hem, Alexander de Grote sloopte hem weer, zelfs de ruïnes bleven ditmaal niet gespaard. Sadam Hoessein legde er kunstmatige meren en picknickplaatsen op aan, de Amerikanen deden in 2003 de rest.

Van Kroonenberg verscheen in 2011 het fascinerende Waarom de hel naar zwavel stinkt, een reislustige, geologische verkenning van de plaatsen waar de door bij voorbeeld Vergilius en Dante beschreven ingang van de hel zich in werkelijkheid zou hebben kunnen bevinden. Ook in De binnenplaats van Babel is een bedreven verteller aan het woord, die soms onverwachte zijpaden inslaat maar de hoofdweg nergens uit het oog verliest. Uitgangspunt is de veeltaligheid binnen de familie Kroonenberg, waarin het vlot kunnen spreken van zestien talen geen uitzondering is.

Vanuit deze persoonlijke achtergrond kan De binnenplaats van Babel een vermoedelijk nooit vertoonde combinatie van verhaalonderwerpen bevatten. We lezen over het concentratiekamp Theresienstadt, over oeverwallen in de Eufraat, de ‘halfwaardetijd’ van taal, geneeskunde in voormalig Oost-Indië (waar een even polyglotte Kroonenberg als arts werkzaam was), Dubois die in hetzelfde Indië ‘de eerste mens’ ontdekte, een bezoek aan Letland, over de oorsprong, verspreiding en verwantschap van talen van Tweestromenland (via het Zuid-Amerikaanse regenwoud tot aan de talige lappendeken in de Kaukasus), Breughel die zijn Babeltorenschilderijen modelleerde naar het Romeinse Colosseum, platentektoniek in Afrika, irrigatiesystemen, reisavonturen van de auteur, DNA, over tekstdragers van klei (bij brand worden ze alleen maar beter gebakken), en de Joodse diaspora. En dat alles in een coherent, ontspannen geschreven boek.

Schrikbeeld

Op een enkele plaats is Kroonenberg misschien iets te ontspannen. Zo lezen we ‘Amsterdams en Rotterdams zijn verschillende dialecten van het Nederlands, maar Limburgs is geen dialect meer, het is een taal.’ Maar de Zuid-Oost Limburgse tongval bijvoorbeeld (te Kerkrade, Bocholtz, Vaals) is wel degelijk een dialect, zij het van de Ripuarische taalgroep, waartoe ook het Keuls behoort. Elders schrijft hij over de migratieroute vanuit Siberië via de tijdelijke landbrug naar het Amerikaanse continent, die verder liep langs de vulkanische ‘Ring of fire’. Hij concludeert ‘dat oogde kennelijk vertrouwd’. Maar zou die route inderdaad vooral visueel zijn ingegeven?Dit mag zout op slakken leggen lijken, het detoneert in alle uiterst precieze taalschema’s in Kroonenbergs boek.

‘De straf van Babylon’ is uitgewerkt, concludeert Kroonenberg. Het Engels is buiten haar oevers getreden, en met de moderne communicatiemiddelen raakt geen gemeenschap meer zo geïsoleerd dat er nog een nieuwe taal kan ontstaan. Straks spreekt de hele wereld met één mond. Een schrikbeeld voor de polyglot. Maar overal ter wereld schieten tegenwoordig ook torens op die tot de hemel reiken. Zou God nog één keertje…?