In de tunnel

Elke week staat op deze plek een fictieverhaal. Deze week een voorpublicatie uit Tijdmeters, de nieuwe roman van David Mitchell.

Links van me bevindt zich een steil oplopende dijk met bovenop een vierbaansweg en rechts van me hebben ze zo te zien een stuk land vrijgemaakt voor een woningbouwproject. Er staan graafmachines, bulldozers, bouwketen, hoge afrasteringen, en borden waarop HELMEN VERPLICHT staat, en op een bord met VERBODEN TOEGANG VOOR ONBEVOEGDEN heeft iemand BIKKELHARD TEGEN ZWART gesprayd, met daarbij voor alle duidelijkheid een paar hakenkruisen. Het is nog vroeg: tien over half acht. Brubeck zal nu op de fiets onderweg naar huis zijn, maar in de pub liggen papa en ma nog in bed. Verderop zie ik de ingang van een tunneltje onder de snelweg boven me. Als ik nog zo’n honderd meter te gaan heb, zie ik daar een jongen, en ik blijf staan want – en dit is echt te gek voor woorden – ik zou zweren…

Het is Jacko. Hij staat daar alleen maar, en kijkt naar me. De echte Jacko zit, dat weet ik wel, zo’n dertig kilometer verderop een doolhof te tekenen of een schaakboek te lezen of zoiets Jacko-achtigs te doen, maar het joch naar wie ik sta te kijken heeft hetzelfde bruine, sluike haar, hetzelfde figuur en dezelfde houding. Hij heeft zelfs hetzelfde rode Liverpool-shirt aan. Ik ken Jacko, en dat is hem, of zijn eeneiige tweelingbroer van wie niemand afweet. Ik loop weer verder en durf niet met mijn ogen te knipperen, bang dat hij anders verdwijnt. Als ik nog zo’n vijftig meter van hem af ben begin ik te zwaaien, en het joch dat onmogelijk mijn kleine broertje kan zijn zwaait terug. En dus roep ik zijn naam. Hij roept niet terug, maar draait zich om en loopt het tunneltje in. Ik weet niet wat ik ervan moet denken, maar ik loop op een drafje achter hem aan, bang dat Jacko rond is gaan rennen om me te zoeken, ook al weet het verstandige deel van me dat het hem niet kan zijn, want hoe zou Jacko moeten weten waar hij moet zoeken?

Ik ren nu zo hard als ik kan, wetend dat er iets vreemds aan de hand is, maar niet precies wat. Het tunneltje is bestemd voor wandelaars en fietsers, en dus vrij smal, en zo lang als de breedte van vier rijbanen plus de middenberm waar het onderdoor gaat. Verderop, eerst omlaag en dan weer wat omhoog, vormt de tunneluitgang een vierkant met velden, lucht en daken. Ik heb al een paar stappen in het tunneltje gezet voordat het me opvalt: in plaats van dat het naar het midden toe donkerder wordt, wordt het juist lichter, en in plaats van dat het geluid meer weergalmt, wordt het meer gedempt. Ik zeg tegen mezelf dat het inbeelding is, dat ik niet bang hoef te zijn, maar een paar stappen verder weet ik het zeker: het tunneltje verandert van vorm. Het wordt breder en hoger, krijgt vier hoeken, verandert in een ruitvormige ruimte… Het wordt iets anders. Het is ongelooflijk en angstaanjagend. Ik weet dat ik wakker ben, maar weet ook dat dit niet echt kan zijn. Ik loop niet verder, ik ben bang dat ik tegen de tunnelwand zal opbotsen. Waar is dit? Ik ben nog nooit in iets dergelijks geweest. Is het een dagmerrie? Begint die ellende weer op te spelen? Links en rechts van me, op zo’n tien passen afstand, bevindt zich een smal raam. Ik ga er niet naartoe om erdoorheen te kijken, ze moeten ver voorbij de muren van het tunneltje zitten, maar toch zie ik door het linkerraam duinen, grijze duinen, die oplopen naar een hoge heuvelkam, maar buiten het rechterraam is het donkerder, de duinen lopen af naar de zee, maar de zee is zwart, totaal zwart, zwart als het duister in een doos in een grot een kilometer onder de grond. In het midden van de ruimte, waar die zich ook mag bevinden, is een lange tafel verschenen, en ik loop langs de linkerkant van de tafel verder, en kijk, daar is een vrouw, die aan de rechterkant meeloopt en gelijke tred met me houdt. Ze is jong en mooi, maar op een koele manier, als een actrice die afstand bewaart, ze heeft witblond haar, een doodsbleke huid en volle rozenrode lippen, en ze draagt een baljurk van het diepste middernachtelijke blauw, als een vrouw uit een verhaal…

Juffrouw Constantin, van de leunstoel, toen ik zeven was. Waarom flikt mijn geest me dit nou? We lopen naar een schilderij in de scherpe hoek van het vertrek. Er staat een man op afgebeeld die eruitziet als een heilige uit bijbelse tijden, alleen heeft zijn gezicht geen ogen. Ik sta er nu met mijn neus vlak voor. Op het voorhoofd van de heilige zit een zwart plekje, iets boven de plaats waar zijn wenkbrauwen samenkomen. Het groeit. Het plekje wordt een vlekje. Het vlekje wordt een oog. Dan voel ik er eentje op mijn eigen voorhoofd, op dezelfde plek, maar ik weet niet helemaal zeker of ik nog wel Holly Sykes ben, hoewel, als ik niet mezelf ben, wie zou ik anders kunnen zijn? Uit de plek tussen mijn ogen komt iets naar buiten en blijft daar zweven. Als ik er recht naar kijk verdwijnt het, maar als ik er met een schuin oog naar kijk is het net een klein, flakkerig, planeetachtig iets. Dan komt er nog eens zoiets naar buiten, en nog eens, en nog eens. Vier flakkeringetjes. Ik proef groene thee. Dan is het net alsof er bommen ontploffen, en juffrouw Constantin begint te jammeren, en haar handen zijn klauwen, maar ze wordt opzijgesmeten, door knallend blauw licht over de tafel gekegeld. De mond van de ouwe heilige staat open en zit vol haaientanden, ijzeren geschreeuw en stenen gekreun. Gestalten en schaduwen doemen op als de schimmen van een schimmenspel in de geest van iemand die bezig is gek te worden. Een oudere man springt op de tafel. Hij heeft de ogen van een scherpschutter, krullende, zwarte lokken, een gebroken neus, en hij draagt een zwart pak. Hij straalt een vreemd indigo licht uit, alsof hij radioactief is. Hij helpt juffrouw Constantin overeind, en zij wijst met een vinger waarvan het topje van zilver lijkt, rechtstreeks naar mij, en zwarte vlammen en een oorverdovend gebrul als van straalmotoren vullen de ruimte, en ik kan niet wegrennen en ik kan niet vechten, ik kan niet eens meer wat zien, dus kan ik alleen maar stokstijf blijven staan en luisteren naar stemmen die klinken als stemmen die schreeuwen wanneer een gebouw instort op de mensen die erin wonen, maar ik hoor één stem duidelijk zeggen: ‘Ik zal hier zijn.’ Dan volgen er opnieuw schokken en neemt een licht, helderder dan zonnen, steeds meer toe in kracht, tot mijn ogen smelten in hun kassen…