Ik heb altijd gehongerd naar taal language langue lugha sprache lingua

Een geoloog schreef een boek over de aangeboren veeltaligheid die hij deelt met zijn grootvader. „Wat ik heb geleerd, is dat talen ontzettend kort leven, misschien maar duizend jaar.”

Veertien talen sprak Salomon Kroonenbergs grootvader, zelf spreekt hij er zeven. Nederlands, Frans, Duits, Engels. Spaans, Italiaans en Russisch. En Surinaams. Dan zijn we er nog niet, want er zijn zeker nog zeven talen die hij leest of waarin hij zich kan redden. Portugees en Fins. Latijn, Grieks, Hebreeuws. Bahasa Indonesia en Chinees.

Waarom, waarom, waarom. Salomon Kroonenberg (67) is geen linguïst of tolk, hij is geoloog. Hij schreef boeken over de geologische tijd (De menselijke maat) en over het binnenste van de aarde (Waarom de hel naar zwavel stinkt). Tot zijn pensionering, in 2009, was hij hoogleraar aan de Technische Universiteit Delft. Veel veldwerk, altijd gereisd, overal geweest. Met alleen Engels had hij zich best kunnen redden.

Al heel lang vroeg hij zich af waar die veeltaligheid bij zijn grootvader, de vader van zijn vader, vandaan kwam. En waarom er zesduizend verschillende talen zijn. Zijn nieuwe boek gaat daarover, het heet De binnenplaats van Babel, het raadsel van de spraakverwarring. Populaire wetenschap en tegelijkertijd een beklemmende familiegeschiedenis. Zijn grootvader leerde bijvoorbeeld Russisch toen hij in 1944 gevangen zat in Theresienstadt. „Ik heb het niet expliciet opgeschreven”, zegt Kroonenberg, „maar mijn boek is ook een zoektocht naar waar ik vandaan kom en waarom ik ben wie ik ben.”

U beschrijft dat u als kind al enorm geïnteresseerd was in de verschillen tussen talen.

„Op het gymnasium werkte ik voor Latijn een jaar vooruit, gewoon omdat ik het zo leuk vond om uit te zoeken hoe de structuur was. Andere kinderen hebben het met muziek of met wiskunde. Het voelde als honger, taalhonger. Ik heb het nog steeds, hoor. Als ik naar Letland ga, koop ik een Letse grammatica, als ik naar Wales ga, koop ik een Welshe grammatica. Die kast daar achter je, die staat helemaal vol met taalboeken.”

Maar u leert die talen toch niet allemaal?

„Nee, dat doe ik alleen nog als ik er iets mee kan doen. Ik had twee Chinese promovendi en toen ben ik met Chinees begonnen. Mijn visuele geheugen is anders dan mijn verbale geheugen, dus Ik vond het lastig om de karakters te onthouden. Maar de structuur van het Chinees is eenvoudig, die snap ik. Als ik een paar maanden tussen Chinezen zou zitten, zou ik het ook kunnen spreken. Russisch bijvoorbeeld leerde ik pas spreken toen ik voor langere tijd naar Rusland ging, maar voor die tijd kon ik het al lezen. Na mijn promotie was ik in een gat gevallen en toen ben ik een Russisch geologieboek gaan lezen. Elk woord dat ik niet kende heb ik opgezocht. En ik ben de grammatica gaan bestuderen. Ik ben niet iemand die een taal leert door alleen maar te luisteren.”

En uw grootvader?

„Hij was ook heel schriftelijk. Ik weet niet hoeveel van die veertien talen hij echt sprak. En ook hij had kasten vol boeken over taal. Ik herinner me dat ik hem eens aan de kop heb gezeurd over een heel leuk Zweeds woordenboekje dat hij had en dat ik graag wilde hebben. Hij heeft het me nooit gegeven.”

Wat voor man was hij?

„Hij was tropenarts, bacterioloog en patholoog-anatoom, en later ook kinderarts en geneesheer-directeur van het Nederlandsch-Israëlitisch Ziekenhuis in Amsterdam. Ik was veertien toen hij overleed. Voor mij was hij altijd vriendelijk en plezierig, maar uit de verhalen van mijn ooms en mijn nicht Yvonne [de schrijfster Yvonne Kroonenberg] weet ik dat het een autoritair gezin was. Mijn grootmoeder was erg op status. Ze nam het mijn vader niet kwalijk dat hij met een niet-Joods meisje trouwde, mijn moeder dus, want mijn moeder was arts. Dat een oom van me met de dochter van een Joodse leverancier van het ziekenhuis trouwde vond ze wel een probleem.”

Uw vader was oogarts, maar hij was, schrijft u, liever instrumentmaker geweest.

„Mijn vader was een heel andere persoonlijkheid. Teruggetrokken, introvert, een beetje asperger-achtig, zou je nu zeggen. Mijn grootvader wilde dat hij geneeskunde ging studeren en dat deed hij toen. Zo was hij. Gezagsgetrouw. Hij maakte nooit ruzie, ook niet met mijn moeder, terwijl ze heel verschillend waren. Ze leerden elkaar vlak na de oorlog kennen, toen hij net twee jaar onder de vloer had gelegen bij een slager in de Grensstraat. Hij was ondervoed en had oedeem. Ze heeft hem zogezegd uit de goot gehaald.”

Kroonenberg staat op om een plakboek te pakken met foto’s van de knutselwerkjes die zijn vader in zijn vrije tijd maakte. Er zitten ook lijsten met cijfers en statistieken bij: zijn vader hield bij hoeveel gas en elektriciteit hij verbruikte. „Hij bewaarde alles”, zegt Kroonenberg. „Na zijn dood vond ik hangmappen vol reclamefolders in zijn kasten. Hij wilde alles bijhouden, alles weten, en vond het lastig om keuzes te maken. Hij dacht dat hij zo controle kon houden. Toen mijn moeder alzheimer kreeg, schreef hij op de eieren wanneer hij ze gekocht had.”

Is uw zucht naar kennis niet ook een manier om controle te krijgen?

„Misschien” – hij aarzelt een kort moment – „is het een poging tot het structureren van mijn wereldbeeld. Het is bij mij begonnen met postzegels en munten sparen, en in dit verband moet ik nog een andere persoon noemen die me beïnvloed heeft: de broer van mijn moeder, Lipke Holthuis. Hij was bioloog en wereldspecialist op het gebied van kreeften en krabben en garnalen en pissebedden. Daar wist hij echt alles van. Van zijn achttiende tot zijn dood, op zijn zesentachtigste, werkte hij bij wat nu Naturalis heet. Nooit getrouwd, geen bekend liefdesleven. Hij ging naar Thailand om op de vismarkt naar nieuwe krabbensoorten te zoeken. Alle boeken waar een kreeftje of krabbetje in stond kocht hij, al waren ze vijfhonderd jaar oud en kostten ze 12.000 gulden. Voor hem was dat ook een manier om zijn wereldbeeld te construeren.”

Wat voor invloed had hij op u?

„Hij reisde over de hele wereld en dat wilde ik ook. Ik zat daar maar in Goes en het enige uitstapje dat wij maakten was naar de Boerentoren in Antwerpen. Oom Lipke stuurde me brieven vol postzegels, overal vandaan. Hij nam rare muntjes voor me mee, en steentjes, voor mijn verzameling. Ik ben geen biologie gaan studeren, en ik ben wel getrouwd, maar mijn drive voor de wetenschap was hetzelfde.”

Voor een taalkundige of een kenner van het oude Babylon, zegt Kroonenberg, zal er in zijn nieuwe boek weinig bijzonders te vinden zijn. „Ik maak gebruik van hun kennis en heb opgeschreven wat mij daarin interesseerde. Dat is vooral alles wat met tijd te maken heeft, hoe lang het geduurd heeft voor mensen gingen spreken, hoe talen zich ontwikkelden, wanneer het schrift ontstond. Mijn intreerede destijds in Wageningen [daar is hij hoogleraar geweest] heette Gisteren was vandaag morgen. Die titel had ik een keer gezien bij een boekhandel in Goes, ik zal een jaar of tien geweest zijn. Misschien was dat wel het moment dat ik besefte hoe relatief tijd is. Wat ik door mijn zoektocht naar de tijd in de taalgeschiedenis heb geleerd, is dat talen ontzettend kort leven, misschien maar duizend jaar. En ook dat de talenboom zich nauwelijks meer vertakt, omdat we niet meer geïsoleerd van elkaar leven. Er verschijnen geen nieuwe talen meer.”

Is er ooit één taal geweest?

„We bestaan 200.000 jaar en we weten iets over de taal in de laatste 10.000 jaar, dus eigenlijk weten we niets. Er zijn rekensommen gemaakt waaruit zou blijken dat er misschien wel 500.000 talen zijn geweest en dat er elke vijfhonderd jaar een nieuwe werd geschapen. Een gedachte die mij dan overvalt is dat ik, als je mij in de Oudheid zou plaatsen, met niemand zou kunnen praten. Geen van de talen die we nu spreken bestond toen al. Terwijl we toch nog zo dicht bij de mensen uit die tijd staan. Hun gedachten begrijpen we, hun emoties ook, anders zouden de verhalen van Homerus ons niets zeggen. Op de wanden van een bordeel in Pompeï staat: ‘Ik heb lekker geneukt vandaag.’ Dat snappen we! Maar liep je daar rond, dan zou je niemand verstaan. Dat zijn ontdekkingen die me hebben aangegrepen.”

Wat is er erg aan als een taal verdwijnt?

„Het is net als met de brand van de bibliotheek van Weimar of van Alexandrië. Het is een cultureel verlies, er gaat menselijk vernuft verloren.

U schreef eerder, in De menselijke maat, dat de mens in de geologische tijd een nietigheid is.

„Dat is zo, onze aanwezigheid doet er niet toe en ons leven heeft geen doel, geen zin. De enige bestaansreden van het leven is dat het wordt doorgegeven. Deze bomen” – hij wijst naar buiten – „verspreiden elk voorjaar een miljoen zaden om een nieuwe boom te maken, wat zelden lukt. Maar zo belangrijk is het dus. De rest is franje. Aangename franje soms, maar franje.”

En dat harde werken van u geeft u troost? Verzoening?

„Troost? Verzoening?” Hij zegt het alsof het vieze woorden zijn. „Daar heb ik helemaal niets mee.”

Hij staat op, loopt naar de gang en komt weer binnen, door de deur van zijn studeerkamer. „Zaterdag 7 januari 1995”, zegt hij. „De dag waarop mijn vader zijn euthanasie heeft afgesproken. Hij heeft gewoon zijn grijze pak aan met zijn grijze das, en dan belt de dokter aan. ‘Zo, dokter, bent u daar. Dan gaan we maar beginnen.’ Zo was mijn vader. Hij was niet bang om dood te gaan en hij had geen troost nodig. De dokter schrok ervan.”

En u schrijft in uw boek dat u met uw broers en zusters achter de deur staat te huilen.

„Ja, dat hoorde erbij.”

Uw vader riep dat hij dat niet snapte, hij kreeg toch wat hij hebben wilde.

„Precies, ja. Nou, wat dit betreft lijk ik op mijn vader. Ik ben helemaal niet bang om dood te gaan. Ik word ouder en stijver, maar waarom zou ik me er druk om maken?”

Hard werken kan de gedachte aan de zinloosheid van het bestaan verdrijven.

„Ik geloof niet dat ik het daarom doe, hoor. Mijn oom Lipke, mensen zeiden tegen hem: je bent 86 en nog altijd aan het werk, waarom doe je dat? Omdat hij het léúk vond.”

En zo is het bij u ook?

„De enige dip heb ik wel eens als ik ’s morgens wakker word. Maar dan sta ik op en ga onder de douche, en dan is het weg. Dan ga ik aan het werk.”