Ik ben niet van het oorlogsmodel

De boomlange politiechef van Rotterdam wordt geprezen als crisismanager. Over de aanpak van hooligans is hij nog niet tevreden. „De macht van dit soort groepen is soms erg groot.”

Tekst Sheila Kamerman en Esther Rosenberg Foto’s Olivier Middendorp

Frank Paauw, politiechef van Rotterdam: „Als mensen weten dat we ze in de gaten houden, kan dat preventief werken.”

De Rotterdamse politiechef Frank Paauw (56) brengt elk half jaar een groep agenten bijeen op zijn kamer. De agenten waren in de nacht van 22 op 23 augustus 2009 aan het werk op het strand van Hoek van Holland. Grote groepen jongeren waren op een dancefestival afgekomen. Jongens die van hardcore, voetbal en vechten hielden.

Het ging vaker mis tijdens festivals en feesten, dat jaar in Rotterdam. Een onrustige Oud en Nieuw. Op Bevrijdingsdag moesten agenten waarschuwingsschoten lossen. Ze voelden zich in het nauw gedreven op een feest bij de Erasmusbrug. Maar deze ene nacht ging het een stap verder. De politie moest in paniek de duinen in vluchten. Een massa dronken, gedrogeerde jongens erachter aan, stenen en lege flessen in de hand. De agenten verdedigden zich. Een kogel raakte een negentienjarige in het achterhoofd. Nog die nacht overleed hij.

De toenmalige korpschef stapte op na een vernietigend rapport over de rellen en wat eraan vooraf ging. Dat was begin 2010. „Er ontstond een vacature”, zegt Paauw onderkoeld. Hij was plaatsvervangend korpschef in Den Haag en moet in die tijd de ideale kandidaat zijn geweest. Een kenner van straatgeweld, supporters en van de armere wijken, ook in Rotterdam.

De stad was onrustig bij zijn komst. Er ‘zat licht’ tussen de ideeën en werkwijze van de politie, de gemeente en het Openbaar Ministerie, zegt Paauw voorzichtig. Het korps kwam alleen nog maar slecht in het nieuws. Agenten waren het vertrouwen in hun leidinggevenden verloren. Ze dachten dat in die ene nacht om bezuinigingsredenen geen ME was ingezet. Hoek van Holland bleek traumatiserend. In mei dit jaar kwam de groep agenten voor het laatst bijeen.

Frank Paauw begint zijn carrière na zijn politieopleiding als rechercheur. Kort daarna wordt hij in Scheveningen de eerste en enige strandchef zonder zwemdiploma’s. „Die heb ik nog steeds niet.” Hij wordt Haags bureauchef Narcotica als er een onderzoek loopt naar de betrokkenheid van voormalig legerleider Desi Bouterse bij een Surinaams drugskartel. Halverwege de jaren negentig wordt hij bureauchef aan de Heemstraat in de Schilderswijk. De oud-en-nieuwrellen op de Marktweg zijn dan op z’n hevigst. Grote groepen jongeren vernielen auto’s, voorbijgangers worden bestookt met vuurwerk. Een paar jaar later komen bij brandstichting een moeder en vijf kinderen van Koerdische afkomst om. Paauw: „Dat bleek later door de eigen familie te zijn gebeurd, maar het was het begin van etnische spanningen en rechts-extremisme in de wijk.” Hij richt zich op de drugsverslaafden en de verpaupering. En terwijl het geweld in Den Haag stijgt, neemt de criminaliteit in deze buurt af.

Vanaf dan is Paauw steeds bij de politie in beeld als crisischef, daar waar het brandt. Hij is bijna twee meter lang en hoeft zijn stem niet te verheffen om mensen te overtuigen.

Hij bleef na zijn benoeming in 2010 op een kwartier rijden van Rotterdam wonen. Kreeg zijn huis niet verkocht. Hij heeft een vriendin, ze hebben geen kinderen. „Als het nodig is, ben ik zo in Rotterdam. Het is al lang geen punt meer.”

Waarin verschilt de criminaliteit in Rotterdam van die van andere grote steden?

„Rotterdam is een stad die van ver moet komen. Vergeleken met de andere grote steden, zijn bewoners gemiddeld armer en lager geschoold. Er zijn meer eenoudergezinnen en vroegtijdige schoolverlaters. De stad is mooi, maar rauw. De mensen direct. De criminaliteit is zichtbaar. Hangjongeren, criminele jeugdgroepen en verloedering zijn hier voorbeelden van. En je ziet het in de omvang van de criminaliteit. Toen ik van Den Haag naar Rotterdam kwam, moest ik met een net iets groter korps ineens met 500 overvallen per jaar aan de slag in plaats van 190. Maar we dalen in de lijstjes met criminaliteitscijfers. Het gaat de goede kant op.”

De politieke discussies zijn scherp, zegt Paauw, met Leefbaar Rotterdam dat al twaalf jaar het debat over veiligheid domineert. „Ik ben niet van het oorlogsmodel.” Hij nodigde partijleider Joost Eerdmans uit: „Kom eerst eens kijken wat we al doen, dan kun je daarna zeggen wat je nog meer wilt.”

Hoe verloopt de reorganisatie door de vorming van een Nationale Politie in uw korps?

„De reorganisatie heeft heel wat om het lijf. Onze organisatiestructuur wordt totaal omgevormd. Het werk blijft hetzelfde, de manier waarop we werken verandert. Ik heb aan de vooravond van de reorganisatie aan de burger beloofd dat de winkel open zou blijven. Die belofte hebben we tot nu toe weten waar te maken. We blijven binnen de budgetten, de criminaliteitscijfers dalen, er is minder overwerk.”

De vader van Frank Paauw handelde in vlees. Hij overleed jong. Paauw groeide op in Baarn, in een vrouwengezin met drie oudere zussen. Zijn moeder was productiemedewerker bij elektronicabedrijf Philips. Na het VWO gaat hij – dwars – in de horeca werken. In bruine cafés in Utrecht. Als ober op kerstdiners. Barkeeper in een hotel. Een rustiger baan als bandenverkoper bij Michelin als hij 22 is. Hij doet de opleiding tot luchtverkeersleider en wil rechten studeren. Hij besluit toch bij de politie te gaan. Daar blijft hij, nu 31 jaar. Eens in de zoveel tijd gaat hij zelf de straat op. „Op jacht naar de boef, dat vind ik nog steeds leuk.”

Hij moest al eens rust brengen in Rotterdam, in 1999 als chef van het district waar Feyenoordstadion de Kuip staat. De politie had toen net met getrokken pistolen op de Coolsingel gestaan. Hooligans verstoorden de viering van het laatste kampioenschap van Feyenoord. Weer een brand te blussen. „Je kan ook zeggen dat ik overal te laat kom”, zegt Paauw, met een lach. Hij bracht in 2000 het Europees kampioenschap voetbal in zijn district tot een goed einde en werd landelijk verantwoordelijk voor de aanpak van hooligans. Dat is hij nog steeds. Hij schreef mee aan een strenge voetbalwet.

In Amsterdam vond in 2010 en 2011 diepgaand onderzoek naar drugshandel onder supporters plaats. Waarom gebeurde dat nooit in Rotterdam?

„Natuurlijk worden er drugs gebruikt onder Feyenoordsupporters. Maar er zijn geen indicaties die een onderzoek naar georganiseerde criminaliteit rechtvaardigen, zoals in Amsterdam. Het is maar net wie zich in de harde kern mengt, of aan de top staat. De groepen zijn onvergelijkbaar. Maar het blijven dagkoersen. De druk ligt nu vooral bij de Feyenoordfamilie zelf. Dat is voor ons een grote zorg.”

Wat bedoelt u?

„Stadions zijn in de loop der jaren professioneler geworden. Ze worden zo ingericht dat ze grote bezoekersaantallen goed kunnen reguleren. Bij ADO bijvoorbeeld zie je dat mensen zich netter gaan gedragen als je ze in een nettere omgeving ontvangt. Maar de harde kern vraagt een hardnekkiger aanpak. Strakkere regels, harder optreden. Het is een broos evenwicht. Een grote groep supporters baalt dat een kleine groep notoire onruststokers het voor hen verpest. Die onruststokers moeten geïsoleerd worden en verwijderd uit het stadion. De macht van dit soort groepen op clubs is soms erg groot.”

Moeten clubs zelf meer doen?

„Ja. Harde kernen worden in stand gehouden en soms versterkt. Stewards zijn niet in staat hard tegen hen op te treden en dat is hun taak ook niet. Clubs moeten duidelijker laten zien dat ze de baas zijn en blijven in het eigen stadion. De harde kern isoleren met stadionverboden. Toen ik hier districtschef was, vond ik dat alléén de club verantwoordelijk was voor de aanpak van hooligans. Nu zie ik dat anders. Voetbalbestuurders staan onder zo’n enorme druk dat je niet altijd kan verwachten dat zij tegen de hooligans ingaan.”

Worden bestuurders bedreigd?

Een pauze. „Ze zijn in het verleden bedreigd, ja. De subtiliteit verschilt. Soms zijn bedreigingen strafrechtelijk, soms wéét je alleen dat de macht van de hooligans aanwezig is.”

Wat gaat u eraan doen?

„In Engeland kunnen organisatoren van rellen op basis van softe informatie van de wijkagent, reclasseringsambtenaar of steward uitgesloten worden van het voetbaldomein. In Nederland kan je iemand er pas uitpikken als hij daadwerkelijk iets heeft gedaan. Daar zit voor ons de grootste uitdaging, dat we op basis van softe informatie zorgen dat mensen zich beter gaan gedragen. Als ze weten dat we ze in de gaten houden, kan dat preventief werken. We hebben afgesproken de nieuwe voetbalwet af te wachten en die volledig te benutten. Daarmee krijgen burgemeesters meer bevoegdheden om hooligans aan te pakken. Maar mocht die niet afdoende zijn dan is een landelijke instantie voor stadionverboden een optie. Een onafhankelijke instantie die niet alleen wordt belast met de verstrekking van stadionverboden, maar die ze ook handhaaft. Hierdoor haal je de druk bij clubbestuurders weg, die dichter bij de hooligans staan.”

Sinds Paauw korpschef is, komt de Rotterdamse driehoek (korpschef, hoofdofficier van justitie en de burgemeester) elke week bijeen. Er is een regionale interventie-eenheid met dienders die snel kunnen worden opgeroepen. Paauw: „Het is een soort verzekeringspolis voor incidenten.” Zelf kijkt hij evengoed mee. „Als op zaterdag ergens een zeikstuk verschijnt over de politie waar niks van klopt, dan bel ik meteen naar communicatie. Hebben we het gezien en wat doen we eraan?”

Moet een korpschef dat zelf doen?

„Het is zonnekoninggedrag om te denken ‘daar heb ik mijn mensen voor’. Mensen zijn zo scherp en alert als jezelf bent.”

Vijf maanden vóór ‘Project X’ in Haren, waarbij in september 2012 een Facebookfeestje volledig ontspoorde, trok een vergelijkbare oproep voor een feest in Spijkenisse de aandacht van duizenden jongeren. Een rel werd voorkomen door op social media te melden dat het feest niet doorging en te zorgen voor voldoende agenten ter plaatse. Maar in september 2011 hadden politieagenten wel met getrokken pistolen voor de Kuip gestaan, waar hooligans het gebouw probeerden binnen te dringen. Paauw: „Je kan niet alles voorkomen. Vijf jaar na Hoek van Holland blijven we vasthouden aan de lessen die we trokken. Als je die loslaat, gaat het echt mis.”

Kent Rotterdam een top-600, zoals in Amsterdam, een lijst van criminele jongeren?

Licht geïrriteerd: „Het wordt altijd gebracht als het Ei van Columbus, maar als je politiewerk goed doet en ordent kom je altíjd uit op een lijst met mensen. Dan weet je dat Mo en Kevin al zes keer gepakt zijn en dat je hen in de gaten moet houden als ze weer vrij komen. Het zijn er bij ons een stuk of 500.”

Plegers van woninginbraken, straatroven en overvallen worden systematisch aangepakt. Ze worden na hun celstraf in de gaten gehouden en thuis opgezocht. Ze krijgen een brief van de burgemeester. Hun families worden begeleid. „Ik stond een keer bij een gezin op Heijplaat bij een aanhouding voor een overval door de oudste zoon. Een eenoudergezin, de moeder stond te huilen. ‘Ja meneer, ik krijg ze ook niet in het gareel’. Er stond een heel aardig jochie bij die nog ‘meneer’ en ‘u’ tegen me zei. Als je niets doet, heb je die over vier jaar ook.”

Eenzelfde gestructureerde aanpak staat Rotterdam-Zuid te wachten. Toen Paauw na jaren weer eens in zijn oude district rondliep, zag hij er nog altijd dezelfde families met dezelfde criminele activiteiten – vooral drugshandel. Een team gaat zich de komende drie jaar storten op de problemen op zuid, met hulp van FIOD, Belastingdienst, reclassering en andere instanties. Criminele jeugdgroepen moeten worden ontmanteld. Een kwestie van verbanden zoeken. Het is minder snel helder wie de leiders zijn en wie de meelopers. Jeugdgroepen hangen niet meer bij elkaar op een pleintje. Jongeren houden contact via social media. Paauw: „In plaats van de bamboe weg te kappen, proberen we de knollen onder de grond te vinden.”

Hij is op zijn hoede als hij praat. Een gevolg van zijn opdracht rust te brengen. Zo vaak geeft hij geen uitgebreide interviews. Aan het eind van het gesprek zegt hij het zelf. „Ik ben voorzichtiger dan ik had gedacht, merk ik. Tevreden zijn is ook gevaarlijk. Het evenwicht is altijd broos. Na het weekend kan alles weer anders zijn.”