En nu moeten ze doorgroeien

Eén op de twaalf Nederlandse spelers in de eredivisie heeft ook een Marokkaans paspoort. Toch hebben clubs moeite met het opleiden van Marokkaans talent. Maar er lijkt wat te veranderen.

Ooh, aah, wow! Op opleidingscomplex de Toekomst speelt Ajax A1 tegen het Cypriotische Apoel Nicosia en aan het publiek te horen is Abdelhak ‘Appie’ Nouri aan de bal: 1 meter 65, zeventien jaar oud, weergaloze acties op de linkerflank.

Wat houdt een spoedige doorbraak in het eerste nog tegen? Zijn geringe postuur misschien. Appie, groei je eigenlijk nog? „Ik weet het niet”, zegt hij na de 4-1 overwinning afgelopen dinsdag. „Ik doe mijn best om sterker te worden, daarvoor hebben ze gelukkig performance training hiero.”

De Ajax A1, het hoogste jeugdteam, verwerft in rap tempo faam. Het won alles in de UEFA Youth League, het internationale jeugdtoernooi voor clubs. Het jeugdteam wordt gedragen door Marokkaanse spelers. Naast Nouri zijn dat middenvelder Ashraf El Mahdioui en spits Zakaria El Azzouzi, de topscorer die later werd gewisseld voor Adham El Idrissi.

Wim Jonk, trainer van Ajax A1 en tevens hoofd jeugdopleiding, omzeilt de vraag of de – aanstaande – doorbraak van Marokkaanse jongens een breuk betekent met de van oudsher moeizame relatie van de club met grillig Marokkaans talent. Pas bij de vraag of Jonk geniet van de ‘straatvoetballers’ in zijn team, zegt hij: „Dit zijn de jongens waar je voor naar het stadion komt. Maar het gaat erom: een actie, en dan? Het moet tot iets leiden.”

Lastige jongens

Problematiek rond Marokkaans talent is een delicate kwestie. Generalisatie ligt op de loer, zeker in de volkssport voetbal. Dat Marokkanen geweldig kunnen voetballen, wordt algemeen erkend. Maar de geschiedenis van Ajax en Marokkaanse talenten is vooral die van Nordin Amrabat en Mbark Boussoufa: zij verlieten als ‘lastige jongens’ de opleiding. Net als Oussame Tannane, die nu bij Heracles Almelo wél opbloeit.

Ook Feyenoord heeft weinig gepresteerd waar het gaat om het succesvol opleiden van talent uit de Marokkaanse – maar ook Turkse – gemeenschap. En PSV kampte afgelopen jaar met het hoofdpijndossier Zakaria Bakkali, een Belgisch-Marokkaanse belofte die niet te sturen bleek. Weer een lastige jongen?

„Een achterhaalde manier van denken”, zegt Khalid Kasem, advocaat en mentalcoach die samen met oud-profvoetballer Dries Boussatta het bedrijf The 12th Man heeft opgericht voor begeleiding van talenten die in of tegen het betaald voetbal aan zitten. „We moeten echt af van het idee dat er met spelers met een bepaalde achtergrond iets aan de hand is. Als je spelers anders benadert, gaan ze ook denken dat ze anders zijn.”

Problemen moet je onderkennen, zegt hij. „Maar die zijn sociaal-economisch. En ze gelden voor elk talent uit een minder stabiele omgeving. Als je dat in een culturele context plaatst sla je de plank mis. Dan kunnen clubs tot de cynische conclusie komen: willen we wel spelers met die culturele achtergrond? Dan ben je ver van huis.”

Khalid Kasem geeft cursussen aan jonge talenten. „Maar ik heb het nooit over Marokkaan-zijn, Turk-zijn of Surinamer-zijn.” Hij sprak onlangs bij de trainersopleiding van de KNVB. Volgens hem kijken trainers helemaal niet naar afkomst. „Rekening houden met cultuur is wat mij betreft alleen nodig voor spelers die uit het buitenland komen. We hebben het hier over Nederlandse spelers. Dus zijn de vragen: op welk pleintje speelde hij? Hoe was de sociaal-economische situatie? Hoe heeft dat een talent gevormd?”

Je moeder dit, je vader dat

En hoe is het bij Sparta, ingebed in de Rotterdamse achterstandswijk Spangen?

De jeugdopleiding van de eerstedivisieclub gedijt bij het multiculturele palet in Rotterdam-West. De ontwikkeling van Marokkaanse voetballers is daarbij de zorg voor „een persoon als ik”, zegt oud-prof en trainer-in-opleiding Nourdin Boukhari.

Een relevant fenomeen is volgens Boukhari dat het rond Marokkaanse jongens vaak onrustig is, zéker bij succes. „Je hebt met ouders te maken op zo’n leeftijd, met vrienden, met status. Als club moet je ervoor zorgen dat ze niet gek worden gemaakt door mensen om hen heen. Je moet weten dat die aandacht komt, en hoe je daarmee omgaat. Anders kan het snel bergafwaarts gaan.”

In de tijd dat Nourdin Boukhari bij Ajax speelde, drie seizoenen tussen 2002 en 2006, was de geboren Rotterdammer de enige speler van Marokkaanse afkomst – op die keer na dat taxichauffeur Jamal Akachar van de zaterdagamateurs opgeroepen werd door coach Ronald Koeman.

Een probleem is volgens Boukhari dat de mores van de straat nauw verweven zijn met Marokkaans voetbaltalent. „Als jij uit een omgeving komt waarin je steeds ‘hou je bek’ hoort, of het woordje ‘k’, of ‘je moeder dit, je vader’, dan neem je dat ergens toch mee. Op kantoor, op het veld, of je nu slager bent of bakker: je valt soms terug in dat gedrag van vroeger. Want je hebt altijd met andere mensen te maken, met spanningen.”

En, zegt hij: bij ons komt die emotie snel omhoog. „Als je tegen een Nederlandse jongen zegt: ‘Hé joh, speel die bal eens’, dan zegt hij: ‘Oké, is goed’. Zou je dat tegen mij zeggen en ik voel me als stront behandeld, dan krijg je een grote mond terug. Dat zit er bij ons in”

Hij probeert uit te leggen dat je soms moet slikken. En dan „kan je na de training altijd nog zeggen: ik wil niet dat je zo praat, anders hebben we ruzie. Klaar.”

Nourdin Boukhari (34) is vorig jaar gestopt met betaald voetbal en speelt nu bij de Utrechtse Maghreb ’90, een Marokkaanse amateurclub in de hoofdklasse. Voor hem was het niet vanzelfsprekend dat zijn ouders hem van jongsaf stimuleerden in sport.

Hij vertelt hoe hij moest spijbelen van Koranles op woensdagmiddag en zaterdagochtend. „Omdat ik dan moest voetballen. Kwam ik thuis en dan ging mijn vader mij overhoren in het Arabisch. Kon ik de teksten niet uit mijn hoofd, kreeg ik klappen. Wat doe je dan volgende keer? Toch weer voetballen? Dat heeft met karakter, mentaliteit te maken. Hoe graag wil je het? Wat heb je ervoor over?”

Khalid Kasem ziet een positieve tendens, vergeleken met de generatie spelers van wie de ouders net uit Marokko naar Nederland waren gekomen. „Toen ik vroeger op voetbal ging, stond er niemand voor mij langs de lijn te kijken. Dat verandert snel, nu ouders verder van de Marokkkaanse werkelijkheid af staan. En zich realiseren wat er nodig is om een kind succesvol in Nederland op te voeden. Ik ben daar heel optimistisch over. Ouders zijn veel assertiever dan vroeger, ze staan echt massaal te kijken bij de F-jes en nemen actief deel aan de begeleiding van hun kind.”

De Marokkaanse opmars heeft geleid tot 27 selectiespelers met een Marokkaans en Nederlands paspoort in de lopende eredivisie. Oftewel: één op de twaalf Nederlandse spelers in de eredivisie heeft ook een Marokkaans paspoort.

Ajax-jeugdtrainer Bryan Roy, oud-international met Surinaamse roots, trok onlangs in de Volkskrant de parallel met de Surinaams-Nederlandse voetballers die belangrijk waren voor het succes van Oranje bij het EK van 1988 en de Champions League in 1995. Roy: „De moslimgemeenschap heeft meer tijd nodig. Die cultuur staat verder af van de Nederlandse dan de Surinaamse. Maar nu komen deze jongens eraan. Met onze individuele begeleiding kan het niet meer dat een Marokkaanse speler zich onbegrepen voelt.”

Stabiliteit is een voorwaarde

Is er dan maatwerk nodig?

Volgens Saïd Ouaali, trainer van de Ajax B1, is er geen sprake van extra aandacht voor de Marokkaanse jongens. „Dat zou een slechte zaak zijn”, zei hij recent in gesprek met supportersblad Ajax Life. Het succes hangt volgens hem samen met de thuissituatie. „De betrokkenheid van de ouders is nu veel groter. Ze hebben meer in te brengen bij evaluatiegesprekken, maar zijn ook vaker bij trainingen en wedstrijden te vinden. En je merkt het ook aan de spelers zelf. Ze zijn vrij evenwichtig. Dat is toch een voorwaarde om een stap te maken.” Een gesprek op dit moment ziet hij niet zitten, zegt de persafdeling van Ajax.

Nourdin Boukhari ziet nu met genoegen hoe de 22-jarige Ilias Bel Hassani, oud-Spartaan, bij Heracles ineens symbool staat voor de ommekeer bij de Almelose ploeg die – na zeven nederlagen op rij – vier keer won in vijf duels. „Zo’n jongen heeft daar rust. Ik noem het altijd de omgeving. Als je uit een drukke omgeving naar een rustige omgeving gaat, word je sowieso beter als voetballer. Dan ga je maar aan één ding denken: voetbal. Zo zou het moeten zijn. ”

Hoe bestendig de opmars is, zal over een paar jaar blijken. Een doorbraak is één ding, maar hoe zit het met consistentie?

Marokkaanse spelers die na hun 25ste op het hoogste niveau spelen, zijn opvallend schaars. Khalid Kasem noemt deze constatering „feitelijk onjuist”, maar erkent wel dat Marokkanen vrijwel ontbreken in de wereldtop. „Je ziet het veel bij spelers met een minder stabiele achtergrond. Omdat garanties in het profvoetbal ontbreken, kiezen jongens met een lage sociaal economische status eerder voor financiële zekerheid. Helemaal als zij begeleid worden door derden die denken: hij is er, hoe kunnen we dat zo snel mogelijk kapitaliseren? Maar opnieuw: dat is geen Marokkaans probleem.”

El Ghazi, zoon van een arbeidsmigrant die werkte in een Barendrechtse beschuitfabriek, heeft zijn contract bij Ajax verlengd tot maar liefst 2019. „Een beloning waar ik hard voor heb moeten werken”, zei hij na het Champions League-duel afgelopen woensdag tegen Apoel met trots.

Het is de stabiliteit die clubs en spelers altijd van elkaar zouden moeten verlangen, vindt Kasem. „De kans dat hij nu rijpt, succesvol wordt en als grote speler over een paar jaar eventueel een transfer maakt, is nu veel groter. Want het duwen en trekken bij zo’n jongen gebeurt alleen op het moment dat er een keuze gemaakt moet worden. Die onrust is het grootste gevaar.”