Een trainer kijkt niet naar afkomst

De belofte van Marokkaanse-Nederlandse voetballers wordt langzaamaan ingelost. Ook bij Ajax. Structureel succes? „Als je een diamant hebt moet je er goed voor zorgen.”

Ajax A1 won vrijdagavond in Kerkrade met 3-1 van de leeftijdgenoten van Roda JC, onder meer danzij twee doelpunten van aanvaller Zakaria El Azzouzi. Foto’s Chris Keulen

Ooh, aah, wow! Op opleidingscomplex de Toekomst speelt Ajax A1 tegen het Cypriotische APOEL Nicosia en aan het publiek te horen is Abdelhak ‘Appie’ Nouri aan de bal. Ventje van 1 meter 65, 17 jaar oud, weergaloze acties op de linkerflank. Wachten, wachten, uitdagen. Dan hup, een hakje diep, naar de linksback die het al begrepen had. Prachtig. Wat houdt een spoedige doorbraak in het eerste nog tegen? Slechts zijn geringe postuur misschien. Appie, groei je eigenlijk nog? „Ik weet het niet. Ik doe mijn best om sterker te worden, daarvoor hebben ze gelukkig performance training hiero”, zegt hij na de 4-1 overwinning afgelopen dinsdag.

De Ajax A1 verwerft in rap tempo faam na een ongeslagen poulefase in de UEFA Youth League, het internationale jeugdtoernooi voor clubs parallel aan de Champions League. Het jeugdteam wordt geschraagd door Marokkaanse sterkhouders Nouri, controlerende middenvelder Ashraf El Mahdioui en spits Zakaria El Azzouzi, de topscorer die later wordt gewisseld voor Adham El Idrissi. Een indrukwekkend ensemble, naast Abdelmalek El Hasnaoui van Jong Ajax. De Barendrechter Anwar El Ghazi, vorig jaar overgekomen uit de jeugd van Sparta, maakte al de stap naar het eerste en tekende afgelopen week een contract tot de zomer van 2019.

Wim Jonk, trainer van Ajax A1 en tevens hoofd jeugdopleiding, omzeilt de vraag of de – aanstaande – doorbraak van Marokkaanse jongens een breuk betekent met de van oudsher moeizame relatie van de club met grillig Marokkaans talent. De Ajax-aanpak is een „individuele benadering”, heet het sinds Johan Cruijff de afgelopen jaren de jeugdopleiding naar zijn hand zette. Pas bij de vraag of Jonk geniet van de ‘straatvoetballers’ in zijn team, zegt hij: „Dit zijn de jongens waar je voor naar het stadion komt. Maar het gaat erom: een actie, en dan? Het moet tot iets leiden.”

Lastige jongens

Het is een delicate kwestie. Generalisatie ligt op de loer, zeker in de volkssport voetbal. Dat Marokkanen geweldig kunnen voetballen, wordt algemeen erkend, maar de geschiedenis van bijvoorbeeld Ajax en Marokkaanse talenten is vooral die van Nordin Amrabat en Mbark Boussoufa die als ‘lastige jongens’ de opleiding verlieten, net als Oussame Tannane die nu bij Heracles Almelo opbloeit. Ook Feyenoord heeft een povere conduitestaat waar het gaat om het succesvol opleiden van talent uit de Marokkaanse – maar ook Turkse – gemeenschap. PSV kampte afgelopen jaar met het hoofdpijndossier Zakaria Bakkali, een Belgisch-Marokkaanse belofte die niet te sturen bleek. Weer een lastige jongen?

„Een achterhaalde manier van denken”, zegt Khalid Kasem, leiderschapstrainer en mental coach die samen met oud-voetballer Dries Boussatta het bedrijf The 12th Man heeft opgericht. Hij begeleidt talenten die in of tegen het betaald voetbal aan zitten. „We moeten echt af van het idee dat er met spelers met een bepaalde achtergrond iets aan de hand is. Als je spelers anders benadert, gaan ze ook denken dat ze anders zijn. Problemen zijn er, maar die liggen in sociaal-economische sfeer en gelden voor elk talent uit minder stabiele omgeving. Als je dat in een culturele context plaatst sla je de plank mis. Dan kunnen clubs tot de cynische conclusie komen: willen we wel spelers met die culturele achtergrond? Dan ben je ver van huis.”

Kasem geeft cursussen aan talenten. „Maar ik heb het nooit over Marokkaan-zijn, Turk-zijn of Surinamer-zijn.” Hij sprak onlangs bij de trainersopleiding van de KNVB. „Ik merk dat trainers niet kijken naar afkomst. Rekening houden met cultuur is alleen nodig voor spelers die uit het buitenland komen. We hebben het hier over Nederlandse spelers. Dus zijn de vragen: Op welk pleintje speelde je? Hoe was de sociaal-economische situatie? Hoe heeft dat een talent gevormd?”

Aandacht

Bij Sparta, ingebed in de Rotterdamse achterstandswijk Spangen, wordt wel benoemd en gehandeld. De jeugdopleiding van de eerstedivisieclub gedijt bij de multiculturele palet in Rotterdam-West. De ontwikkeling van Marokkaanse voetballers is daarbij zorg voor „een persoon als ik”, zegt oud-prof en trainer-in-opleiding Nourdin Boukhari. Een relevant fenomeen is volgens Boukhari dat het rond Marokkaanse jongens vaak onrustig is, zeker bij succes. „Je hebt met ouders te maken op zo’n leeftijd, met vrienden, met status, als club moet je ervoor dat ze niet gek worden gemaakt door mensen om hun heen. Je moet weten dat die aandacht komt, en hoe je daar mee omgaat.”

Als spitsentrainer van Sparta heeft Boukhari zijn aanvallers na de woensdagtraining om zich heen verzameld. Tot ver na de groepstraining op het kunstgrasveld van stadion Het Kasteel leidt hij een afwerkoefening. Voorzetten, afwerken, voorzetten, afwerken – en het verliezende tweetal moet de over en naast geschoten ballen verzamelen. Boukhari: „Wij zijn vaak een beetje te lui om dat extra werk te willen doen. De vraag is: wil je blijven om extra te trainen? Even nog een paar extra ballen trappen. Ik deed dat wel altijd.”

In de tijd dat Boukhari bij Ajax speelde, tussen 2002 en 2006, was de geboren Rotterdammer daar de enige speler van Marokkaanse afkomst – op die keer na dat taxichauffeur Jamal Akachar van de zaterdagamateurs opgeroepen werd door coach Ronald Koeman. „Bij Ajax wordt veel gevraagd, die druk is enorm”, zegt Boukhari. „Boussoufa liep daar tegenaan en vertrok naar Chelsea. Vervolgens is hij in België [bij Gent en Anderlecht] jaar op jaar het grootste talent. Dan denk ik: waarom kon dat bij Ajax niet? Dat bedoel ik: als je een diamantje hebt, moet je er wel goed voor zorgen. De jongens die echt talent hebben moet je anders prikkelen.”

Een belemmering is volgens Boukhari de mores van de straat. „Als jij uit een omgeving komt waarin alleen ‘hou je bek’, of het woordje ‘k’, of ‘je moeder dit, je vader dat’ wordt gezegd, neem je dat toch ergens mee. Op kantoor, op het veld, of je nu slager bent of bakker: je valt soms terug in dat gedrag van vroeger. Want je hebt altijd met andere mensen te maken, met spanningen. En bij ons komt die emotie snel omhoog. Als je tegen een Nederlandse jongen zegt: ‘hé joh, speel die bal eens’, dan zegt hij: oké is goed. Zou je dat tegen mij zeggen en ik voel me als stront behandeld, dan krijg je een grote mond terug. Dat zit er bij ons in. Ik probeer uit te leggen dat je soms moet slikken. Dan kun je na de training altijd nog zeggen: ik wil niet dat je zo praat, anders hebben we ruzie. Klaar.”

Boukhari (34) is vorig jaar gestopt met betaald voetbal. Voor hem was het niet vanzelfsprekend dat zijn ouders hem van jongsaf stimuleerden in sport. Hij vertelt hoe hij moest spijbelen van Koran-les op woensdag en zaterdag. „Omdat ik dan moest voetballen. Kwam ik thuis, ging mijn vader mij overhoren in het Arabisch. Kon ik de teksten niet uit mijn hoofd, kreeg ik klappen. Wat doe je dan volgende keer? Toch weer voetballen? Dat heeft met karakter, mentaliteit te maken. Hoe graag wil je het? Wat heb je er voor over?”

Kasem ziet een positieve tendens vergeleken met de generatie spelers wiens ouders net uit Marokko naar Nederland waren gekomen. „Toen ik vroeger op voetbal ging stond er niemand voor mij langs de lijn te kijken. Dat verandert snel, nu ouders verder van de Marokkaanse werkelijkheid afstaan en zich realiseren wat er nodig is om een kind succesvol in Nederland op te voeden. Of nu ze in ieder geval de beperkingen onderkennen, weten hoe je de ontwikkeling niet belemmert. Ik ben daar heel optimistisch over. Ouders zijn veel assertiever dan vroeger, staan echt massaal te kijken bij de F-jes.”

Nieuwe Surinamers

De Marokkaanse opmars heeft geleid tot (nu) 27 selectiespelers in de eredivisie, volgens de website Transfermarkt.de. Van de ruim 330 Nederlandse spelers in de eredivisie heeft dus ongeveer één op twaalf een Marokkaans paspoort. Dat is veel, gemeten naar de bevolkingssamenstelling. Ajax-jeugdtrainer Bryan Roy, oud-international met Surinaamse roots, trok onlangs in de Volkskrant de parallel met Surinaams-Nederlandse voetballers. Roy: „Hun cultuur staat verder af van de Nederlandse dan de Surinaamse. Maar nu komen ze eraan. Met onze individuele begeleiding kan het niet meer dat een Marokkaanse speler zich onbegrepen voelt.”

Maatwerk dus? Volgens Saïd Ouaali, trainer van de Ajax B1, is er geen sprake van extra aandacht voor de Marokkaanse jongens. „Dat zou een slechte zaak zijn”, zei hij deze zomer in gesprek met supportersblad Ajax Life. Het succes zit in de thuissituatie, zegt Ouaali, die via de persafdeling van Ajax laat weten een gesprek op dit moment niet te zien zitten. In Ajax Life zei hij: „De betrokkenheid van de ouders is veel groter nu. Ze hebben meer in te brengen bij evaluatiegesprekken, maar zijn ook vaker bij trainingen en wedstrijden te vinden.”

Boukhari ziet nu met genoegen hoe bijvoorbeeld de 22-jarige Ilias Bel Hassani, oud-Spartaan, bij Heracles ineens symbool staat voor de ommekeer bij de Almelose ploeg die – na zeven nederlagen op rij – vier keer won in vijf duels. „Zo’n jongen heeft rust daar. Zet je mij in een stad waar ik ’s ochtends moet trainen, en ik ben om één uur klaar, en ik ken iedereen omdat ik er vandaan kom, dan weet je dat er van rust weinig komt. Je wordt overal voor gevraagd: etentje hier, verjaardag daar, geboorte van hem of haar, theetje, weer een feestje. Zit ik in Groningen of Friesland dan weet ik: mensen gaan niet drie uur in de auto zitten voor een bakje thee.”

Hoe bestendig het succes is zal over een paar jaar moeten blijken. Een doorbraak is één ding, maar hoe zit het met consistentie? Marokkaanse spelers die na hun 25ste op het hoogste niveau spelen, zijn schaars. Kasem noemt deze constatering feitelijk onjuist, maar erkent wel dat Marokkanen vrijwel ontbreken in de wereldtop. „Je ziet het veel bij spelers met een minder stabiele achtergrond. Omdat garanties in het profvoetbal ontbreken kiezen jongens met een lage sociaal economische status eerder voor financiële zekerheid. Helemaal als zij begeleid worden door mensen die denken: hij is er, hoe kunnen we dat meteen kapitaliseren? Maar opnieuw: dat is geen Marokkaans probleem.”

Vleugelspeler El Ghazi, zoon van een fabrieksmedewerker uit Barendrecht, heeft zijn contract bij Ajax verlengd tot 2019. „Een beloning waar ik hard voor heb moeten werken”, zei hij na het Champions League-duel tegen APOEL Nicosia afgelopen woensdag. Precies de stabiliteit die clubs en spelers altijd van elkaar zouden moeten verlangen, vindt Kasem. „Hij kan zich nu volledig richten op voetbal. Want het duwen en trekken bij zo’n jongen gebeurt alleen op het moment dat er een keuze gemaakt moet worden. En die onrust is het grootste gevaar.”