Dortmund

Georgina Verbaan

’Smiddags had ik zittend aan de keukentafel naar mijn aanrecht vol vieze vaat gekeken. Plots was ik opgestaan om te doen wat mensen wel vaker doen wanneer zij zich alleen voelen. Ik reed naar het donkere middelpunt van het Ruhrgebied, Dortmund, om een kerstmarkt te bezoeken. Bij aankomst deed de stad nog grauwer aan dan de snelweg waarop ik drie uur had doorgebracht. Het regende onophoudelijk. Ik wilde dominosteinen, lebkuchen, Der Markenzwieback van Brandt en perlgraupen hebben. Mijn auto parkeerde ik in een garage in het centrum. Onder de kerstmarkt.

Eerst een hotel. De weg vragen bleek lastig. „Nein, kein zeit!” werd mij door een gedrongen vrouw met een neus als een uitwendige aambei toegebeten. Een tweede passant vuurde vanuit de krochten van de hel slechts een brandend „Nein!” op me af. Een winkelruit openbaarde de eventuele reden. Ik leek op een zwerver.

Kletsnat met in mijn hand een armetierige plastic tas met alleen het hoogstnodige erin. Na een uur rondgelopen te hebben zag ik een Rewe-supermarkt. Lege gangpaden, volle schappen. Het mandje vulde ik met wat ik nodig had tot het te zwaar werd om te dragen. Met drie volle plastic tassen schuifelde ik uiteindelijk voorzichtig over de kerstmarkt. Het was glad, en ik wilde niet sterven met nat haar en doorweekte sokken.

In de stalletjes veel geurkaarsen en zingende kerstversiering. Een gezin met identieke winterjassen poseerde in een arreslee. Schuilend onder een luifel at ik naast twee rokende Bulgaren een gepofte aardappel met haring in roomsaus, mijn plastic tassen aan mijn voeten. Toen de kartoffel als een in beton gegoten lijk naar de bodem van mijn maag gezakt was, kocht ik bij gebrek aan stalletjes met paraplu’s een handgebreide muts uit Nepal. Daarmee toog ik naar Rudi’s Hütte voor glühwein.

Ik werd er geholpen door Horst. Horst had een hoofd dat niet bij zijn lichaam paste. Zijn lichaam was kort en dik. Zijn hoofd lang en dun. Hij had een blond egelkapsel en een bril met boekhoudersmontuur. Bij mijn derde glühwein had hij aan zijn reeds natte lippen gelikt en naar de Jagermeister geknikt. Had hij er extra ingedaan. Daarna was hij langs gelopen om me in mijn zij te prikken met zijn worstenvinger en mij een briefje met zijn naam en telefoonnummer te overhandigen.

Aan de overkant lichtte plots het woord hotel in neonletters op. Daar ben ik toen Horst niet keek naartoe gejakkerd met mijn tassen, om er uiteindelijk in slaap te vallen in een kamer waar de nacht daarvoor naar het zich liet ruiken iemand met smetplekken had gelegen. Ik had ook gewoon mijn aanrecht kunnen opruimen.