Angstige gangsters schieten eerder

De zogenoemde ‘Mocro-oorlog’ eiste deze week haar 15de slachtoffer. Wat kan de politie doen tegen liquidaties?

Politie doet onderzoek na de moord in Amstelveen, maandag op een vrouw. Foto ANP

Als je bang bent dat je op een dodenlijst staat, kun je de ander maar beter een slag voor zijn. Dode gangsters kunnen niemand meer (laten) liquideren. Deze angst zit volgens de politie achter de gewelddadige en openbare moorden in Amsterdam. De reeks aanslagen wordt ook wel de ‘Mocro-oorlog’ genoemd, omdat veel van de betrokkenen Marokkaanse-Nederlanders zijn.

Het laatste slachtoffer, woensdagavond van dichtbij door het hoofd geschoten in bijzijn van haar kinderen, is een Braziliaanse uit Amstelveen. Zij is het zevende slachtoffer dit jaar, en de vijftiende sinds de conflicten begonnen, eind 2012. Zij zou de vriendin zijn van de nieuwe hoofdman van één van de rivaliserende groepen, Najib H.

Het begon allemaal met een verdwenen partij van 200 kilo cocaïne uit de Antwerpse haven. Die was van Benaouf A., de leider van een van de twee ‘kampen’ in deze strijd volgens justitie. Het andere kamp stond onder leiding van Gwenette M., die in mei dit jaar in Amstelveen werd doorzeefd. Of de cocaïne nooit was aangekomen, door de douane onderschept, of door de concurrentie gestolen, is niet duidelijk. Maar Benaouf A. ging uit van diefstal en liet vervolgens in Antwerpen de Amsterdamse Najeb B. vermoorden, uit het Gwenette-kamp. Retributies over een weer volgden, om te beginnen de woeste schietpartij in de Staatsliedenbuurt die eind 2012 de stad schokte.

Volgens de politiewoordvoerder kan je niet spreken van een ‘Mocro-war’. „Het gaat om steeds wisselende samenwerkingsverbanden waartoe niet alleen Marokkanen maar ook bijvoorbeeld Antillianen en autochtone Nederlanders behoren.”

Impulsief geweld

Toch is het aandeel van jonge Marokkanen in deze liquidatiereeks opmerkelijk – als daders én slachtoffers. De jeugd en relatieve onervarenheid van de daders zou een reden kunnen zijn dat de reeks liquidaties aanhoudt en zo gewelddadig is. Jonge Marokkanen zouden heel snel van lichte naar zware criminaliteit gaan; ze hebben niet een gewone criminele loopbaan van winkeldiefstal naar inbraak, naar beroving, naar drugshandel, naar moord. Het geweld is vaak impulsief.

Het lijkt alsof de politie machteloos staat en niet meer kan doen dan wachten op de volgende openbare liquidatie. Maar schijn bedriegt. In plaats van zich vooral te concentreren op de opsporing houdt de politie zich ook steeds meer bezig met voorkomen van nieuwe aanslagen. Dat doen ze ondermeer door de zogenoemde facilitators op de huid te zitten: de horecatentjes, autoverhuurbedrijven en wapenhandelaars.

Verstoren, noemt de politie dat. Deze week nog werden in een huis in Loosdrecht onder meer 17 kalasjnikovs en 38 handgranaten gevonden, samen met 10.000 stuks zware munitie – het soort dat door pantservoertuigen heen kan. Natuurlijk is de politie ook druk met de opsporing: er lopen nu ruim twintig grote rechercheonderzoeken naar de liquidaties. In totaal houden zich daar bij de recherche ongeveer 150 mensen mee bezig.

Maar het zijn juist alle anderen, de wijkagenten, de verkeerspolitie, „eigenlijk de hele Amsterdamse eenheid” die meewerken met het voorkomen en verstoren. Door te praten met betrokkenen, ouders, broers. Door bij verkeerscontroles goed door te vragen, en als daar aanleiding voor is in de kofferbak te kijken. „Zo zijn we ook de wapens in Loosdrecht op het spoor gekomen”.

Overigens ontkwam Benaouf A. uiteindelijk niet aan de politie: begin deze maand veroordeelde de rechtbank in Amsterdam hem tot tien jaar voor de moord in Antwerpen waar alles mee begon.