Ze probeert te voelen hoe ze zich voelt

Ze is een meester in van die kalme zinnetjes. ‘Zodra de cardioloog aan mijn bed geweest is mag ik naar huis. Hij laat de hele dag op zich wachten.’ Meer niet, maar je weet genoeg. Zo gaat het in ziekenhuizen: een patiënt wacht de hele dag braaf tot de dokter tijd heeft. Patiëntenuren tellen niet.

Maar ho, nu zit ik te mopperen terwijl de schrijfster zich daar niet toe laat verleiden. Rita Verschuur (1935) schrijft in Met wortel en tak wel over haar angst en getob als ze te horen heeft gekregen dat ze een agressieve tumor in haar borst heeft, en ook over wat er allemaal gebeurt, maar ze klaagt, moppert of zeurt niet.

Rita Verschuur, die vroeger onder de naam Rita Törnqvist bekend was als kinderboekenschrijfster, schreef een paar jaar geleden onder haar eigen naam haar jeugdherinneringen voor kinderen op, in een reeks boeken waarvan er verscheidene, terecht, bekroond zijn. In kleine hoofdstukjes gaf ze op lichte toon, zonder conclusies te trekken, de waarnemingen en gedachten weer van een kind in de oorlogsjaren, door haar moeder in de steek gelaten, opgevoed door een goed bedoelende maar strenge stiefmoeder. Ze koos feilloos veelzeggende details uit het kinderleven, van de papillotten in haar haar tot de wonderbaarlijke gewoontes (bloot zwemmen!) van de Zweden bij wie ze een zomervakantie doorbracht.

Het waren meesterlijke boeken. Daarna schreef ze nog twee boeken voor volwassenen, over haar beide moeders. En nu is er dit, voor volwassenen, maar met de aanpak van die jeugdherinneringen: korte stukjes, een open oog voor veelzeggende details. Wel is de afstand tot het onderwerp minder groot. Wie schrijft over het kind dat zijzelf ooit was, kan daar onbetrokkener naar kijken dan wie schrijft over haar eigen ziekte, nog maar zo kort geleden.

Er staan verscheidene rake observaties in dit boek over de Nederlandse zorg, over moederliefde en bijgelovigheid. Maar vooral ook over wat er in haar omgaat. Als weer eens iemand aan haar vraagt ‘Maar hoe voel je je?’ ,schrijft ze nadenkend: ‘Ik probeer te voelen hoe ik me voel.’ Dat zou misschien wel een karakteristiek voor dit hele boek kunnen zijn. Het heeft niets van de heroïek die tegenwoordig zo vaak bij (borst)kanker hoort, al die retoriek van ‘vechten’ en ‘overwinnen’ en ‘strijd’. ‘Ik heb geen verhalen over mijn orkaan [...] Dierbaren om mij heen worden heen en weer gezwiept. Ik niet, ik zit in het oog.’