Vermoord voor het milieu

Opkomen voor het milieu kan niet altijd zonder gevaar. Sinds 2002 werden zeker zo’n 900 activisten vermoord. Het echte aantal ligt waarschijnlijk hoger.

Wat hem opvalt? Dat er steeds meer doden vallen onder milieuactivisten, zegt Dirk-Jan Koch woensdag in de pauze van een conferentie op het ministerie van Buitenlandse Zaken in Den Haag. Eigenlijk, concludeert hij, zijn milieubeschermers vaak ook een soort mensenrechtenactivisten. Koch is speciaal gezant voor natuurlijke hulpbronnen van de Nederlandse regering. Op de besloten bijeenkomst spreekt hij met milieuactivisten uit Brazilië, Bolivia, de Filippijnen, Thailand, Congo en Oeganda. Allemaal vertellen ze over bedreigingen en toenemend geweld.

Uit een recent rapport Deadly Environment van milieuorganisatie Global Witness, blijkt dat er steeds vaker slachtoffers vallen in de strijd voor een beter milieu, van veertig in 2008 tot 147 in 2012. En dat zijn alleen de gevallen waar de link met hun milieuactiviteiten duidelijk is. Het werkelijke dodental ligt mogelijk hoger. Maar veel slachtoffers vallen in afgelegen gebieden, waar het lastig is om informatie te vergaren, en waar de plaatselijke autoriteiten vaak geen pottenkijkers dulden.

900 zaken, tien veroordelingen

De Filippijnse advocaat Gerthie Mayo-Anda trekt zich daar weinig van aan. Ze vertelt hoe ze in 2011 geconfronteerd werd met de moord op een goede vriend, activist Gerry Ortega. Hij werd van achteren door het hoofd geschoten in een kledingszaak. Hij bereidde een actie voor tegen mijnbouw in de provincie Palawan, dat op de Werelderfgoedlijst van Unesco staat. De dader werd gevonden en beweerde dat het om een beroving ging. Niemand geloofde het. Na lang procederen heeft Ortega’s weduwe bereikt dat nu ook de oud-gouverneur van Palawan wordt vervolgd.

Dat is uitzonderlijk. In de meeste gevallen gaan moordenaars van milieuactivisten vrijuit. Van de ruim 900 zaken die Global Witness in het rapport heeft gedocumenteerd, werd in 69 gevallen een verdachte gevonden, van hen zijn er tien uiteindelijk veroordeeld. Vaak blijken agenten of militairen bij de misdaden betrokken, soms in opdracht van regeringsfunctionarissen die nauwe banden hebben met machtige bedrijven.

Volgens de Nederlandse tak van de IUCN (een samenwerkingsverbond tussen diverse milieu- en natuurgroepen, tevens medeorganisator van de Haagse conferentie) vielen milieuactivisten bij de Verenigde Naties in het verleden een beetje tussen wal en schip. Ze stonden niet op de radar van de mensenrechtenraad en het milieuprogramma was er voor het milieu, niet voor milieubeschermers. Inmiddels erkent de Hoge Commissaris van de Mensenrechten dit hiaat en is er een ‘onafhankelijke expert voor mensenrechten en milieu’ benoemd.

Ongelijke strijd

De straffeloosheid van geweld tegen milieuactivisten moet snel worden aangepakt, concluderen de betrokkenen. Want die werkt nieuwe misdaden in de hand. „Veel mensen durven niet eens te getuigen”, zegt advocate Mayo-Ando, die 25 jaar geleden met een juridisch adviesbureau voor milieuorganisaties en lokale gemeenschappen begon, tegenwoordig met steun van de IUCN. „Ze worden bedreigd. De lokale bevolking wordt onder druk gezet met rechtszaken, hun organisaties worden gecriminaliseerd.”

Dat is een ongelijke strijd. De bewoners kennen hun rechten niet, ze weten niet waar ze met hun claims naartoe moeten en ze zijn vaak slecht georganiseerd. Veel boeren kunnen die druk uiteindelijk niet aan.

„Sommigen gaan zelfs werken voor de mijnbouwers, gewoon om met rust gelaten te worden”, verzucht Mayo-Ando. „Het probleem op de Filippijnen is niet een gebrek aan milieuwetgeving, maar aan handhaving van die wetten.”