U bent heel ziek, u mag nu niet meer naar buiten

Daklozen leven gemiddeld 15 jaar korter dan mensen met een huis. Hun aantal groeit. De meesten negeren pijnen tot die onverdraaglijk worden. „U moet een postadres krijgen en een verzekering.”

In Havenzicht, in Rotterdam, worden daklozen ’s nachts opgevangen en zieken medisch verzorgd. Foto’s Merlin Daleman

De patiënt zit voorover gebogen en Marcel Slockers praat op hem in. „U kunt niet meer naar buiten. Het is te koud. Wij hebben een bed voor u. Wij willen u graag helpen, zodat u minder pijn heeft.” De man knikt maar zegt: „Nee, nee. Ik heb een afspraak.” Die afspraak kan ook hier naartoe komen, zegt Slockers. „U heeft uitgezaaide prostaatkanker. U praat al veel langzamer dan de vorige keer omdat uw nieren niet goed meer functioneren. U bent heel ziek.”

Buiten is het donker en rond het vriespunt, binnen in Havenzicht zit een dakloze man van 57 jaar die al drie jaar met een prostaattumor leeft. Hij wilde niet behandeld worden en zelfs nu hij incontinent is, pijn heeft en bloed verliest bij het plassen, moet het team van straatdokter Slockers hem overtuigen om binnen te blijven. Om zich de laatste maanden van zijn leven te laten verzorgen. Hij heeft een angststoornis, legt Slockers later uit. Nu zegt hij tegen hem: „We zijn blij dat u vanavond bent gekomen.”

Een keer in de week is er daklozenspreekuur in Havenzicht in het centrum van Rotterdam. Er zijn 40 bedden voor nachtopvang en er is een verpleegafdeling. Vanaf half zeven ’s avonds zitten een huisarts, een verpleegkundige en een psychiatrisch verpleegkundige klaar om wonden, bulten en pijnen te beoordelen, recepten voor te schrijven en tranen weg te vegen.

Zoals bij de oudere man die alweer drie maanden op straat leeft. Daarvoor zat hij anderhalf jaar in de gevangenis omdat hij „erin geluisd was” – hij was betrapt met vier kilo cocaïne op zak. Aan zijn blote bovenlijf hangt een zilveren ketting. Maar dat is het wel zo’n beetje, qua bezittingen. Hij heeft geen huis, geen postadres en dus geen zorgverzekering. „U moet op tijd komen, hier, en nachten maken. Elke nacht, dan krijg je op termijn een postadres”, zegt verpleegkundige Petra. „Want zonder zorgverzekering kunnen we weinig voor u doen.” Hij is in drie maanden fors afgevallen en heeft artrose. Maar vanavond kwam hij te laat voor de nachtopvang. De bedden worden om 17.00 uur verloot.

Vorige maand verenigden alle ‘straatdokters’ van Nederland zich – veelal artsen die het naast hun gewone werk doen. Ze zijn bezorgd over het groeiend aantal daklozen, volgens het CBS waren het er vorig jaar 27.000, vierduizend meer dan in 2010. Steeds meer mensen worden uit huis gezet omdat ze de huur niet kunnen betalen. 30 procent is volgens de straatdokters bovendien niet in staat voor zichzelf te zorgen omdat ze een verstandelijke beperking hebben, velen zijn verslaafd aan drank of drugs.

Een kort lontje

Een man van 72 (snor, brilletje, lelijke hoest) klaagt tegen Slockers dat hij snel ruzie krijgt. Hij heeft jarenlang in de bouw gewerkt maar leeft nu op straat. Hij heeft een alcoholprobleem en er zijn mensen die over hem „heen proberen te lopen”, zegt hij. Slockers: „U moet uw korte lontje bespreken met de mensen die u een woonplek aanbieden. Want u wordt telkens weggestuurd. En dat blijft zo doorgaan als u niet wat aan die ruzies doet.” Hij schrijft cholesterolpillen en bloedverdunners voor en prijst de man dat hij al drie dagen niet heeft gerookt.

Verdoofd met drank en cocaïne

Daklozen sterven gemiddeld vijftien jaar eerder dan mensen met een huis. Ze slapen buiten en lopen door met allerlei klachten die verdoofd worden met drank of cocaïne. Een grote groep is onverzekerd omdat een (post-)adres verplicht is voor een zorgverzekering. Anderen betalen de premie niet. En recepten die de straatdokter of het ziekenhuis voorschrijft, ruilen ze lang niet altijd in bij de apotheek omdat ze een eigen bijdrage of eigen risico moeten betalen.

Vandaar dat het straatdoktersteam blij is met de volgende dakloze, een 50-jarige Rotterdammer, die binnenkomt met een briefje van een zorgverzekeraar. „Dat is mooi want onze voorraad Imigran is op”, zegt Slockers. De man heeft af en toe clusterhoofdpijn – een vreselijke hoofdpijn waar sommigen suïcidaal van worden. Hij komt een paar keer per week bij zijn oma, vertelt hij. „Anders raak ik in een isolement dokter.” Maar ’s nachts is het een hel in zijn hoofd. „Ik slaap hier vaak maar dan gooien ze me er om acht uur ’s ochtends uit. En dat kan niet als ik zo’n hoofdpijn heb.” De man smeekt of hij voortaan langer mag blijven liggen. Dat kan niet, legt Slockers uit, omdat iedereen hier vindt dat hij langer moet kunnen blijven liggen.

Vaak is de verslaving gewoon te sterk. Dat is te zien aan de vrouw met een blauw oog en een gat waar een voortand zat. Ruzie gehad in het café, vertelt ze, iets met „jaloersigheid” van een vriend. Ze was het weekend weggelopen uit het medisch centrum omdat ze hier niet mag drinken. Maar, zegt Slockers, ze moet hier blijven want ze krijgt chemo (tegen borstkanker) en daarom heeft ze hier een slaapplek. Ja dokter, zegt ze, en dan gaat ze huilen. „Ik moet het elke dag aan iemand anders uitleggen. Ik ben het zat. Ik ben zo moe.”