Staand het Afrikaanse moeras in

‘Het is geruststellend een leeg vel te nemen en daar een wereld te scheppen waarin iedereen net zo verloren is als ikzelf ben’, zei de kameleontische Amerikaan Denis Johnson. Dat is hem weer gelukt.

De trein naar Kinshasa, Congo, 2006 Foto AFP/Issouf Sanogo

Ondanks het recente succes van zijn novelle Treindromen is de Amerikaanse schrijver Denis Johnson in Nederland nog relatief onbekend. Een spreekwoordelijke writer’s writer. Onterecht. Elk boek van Johnson (1949) telt tientallen zinnen die beter zijn dan menig oeuvre.

Direct op de openingspagina van zijn nieuwe roman De lachende monsters staat er weer eentje. Ronald Nair, een Deense kapitein die reist op een Amerikaans paspoort en halfhartig werk verricht voor de inlichtingendienst van de NAVO, arriveert op het vliegveld van Freetown, Sierra Leone. ‘Inside the building,’ merkt Nair op, ‘the usual throng of fools.

Alles is goed aan dat zinnetje. Het ritme en de klank (throng en fools), maar ook de razendsnelle tekening van karakter. Hier is een man aan het woord die veel heeft gezien en weinig illusies koestert. Bovendien is het hele wereldbeeld dat deze roman, nee, ál Johnsons werk, schraagt erin vervat. Gedrang van dwazen. (In het Nederlands vertaald als het ‘de gebruikelijke meute idioten’, wat naar mijn smaak te hard en te oordelend is, te weinig een weerslag van chaos, verwarring, gewemel en nihilisme.)

Spionageroman

Op het oog hebben we te maken met een spionageroman, maar dan wel eentje die te boek is gesteld door iemand die weinig gelegen is aan plot of onze behoefte tot puzzelen. Johnson wil ons vooral meeslepen in de onttakeling en desoriëntatie van zijn hoofdfiguur.

Nair is naar Afrika gekomen om informatie in te winnen over de plannen van zijn voormalige wapenbroeder Michael Adriko, een Oegandees die ooit de Amerikanen diende maar inmiddels is gedeserteerd. Adriko lijkt betrokken bij een zwendel met verrijkt uranium. Tussendoor hoopt hij de bergen van Oost-Congo te bereiken, waar hij te midden van stamgenoten in het huwelijk wil treden met zijn vriendin Davinia, die weer de dochter is van een hoge Amerikaanse militair. Het huwelijk moet voltrokken worden in De Gelukkige Bergen, door een missionaris ‘uit frustratie en afschuw’ omgedoopt tot de Lachende Monsters. Ook nu nog is Oost-Congo het hart der duisternis, waar het Verzetsleger van de Heer ronddwaalt, de milities van M23 met hun kalasjnikovs zwaaien en diverse grootmachten azen op bodemschatten.

Nair reist Adriko achterna, simultaan handlanger en verrader. Sierra Leone was maar een bijgedachte – al snel zitten ze in Oeganda, dan in Congo. De Mossad, de CIA en MI6 manoeuvreren in en uit beeld, schimmen achter de beslagen ramen van Nairs continu benevelde geest, even onduidelijk in hun bedoelingen als Adriko. ‘Waar of niet waar, wat doet het ertoe?’ verzucht Nair. ‘Michaels waarheid leeft alleen in de mythe. In de feiten en de details gaat ze dood.’

Uiteindelijk, zo moet Nair toegeven, zijn het niet de opdrachten van zijn superieuren die hem naar Afrika hebben gevoerd, noch het dubbelspel dat hij zelf speelt, maar de aantrekkingskracht van rotzooi, anarchie en waanzin. Dit is de wereld na 11 september, eentje waarin het najagen van sprookjes een lucratieve zaak is geworden. ‘De wereldmachten stortten hun brandkasten leeg in een uitgebreide versie van de Grote Oosterse Kwestie. Het geld kan gewoon niet op, en een heleboel wordt besteed aan verklikken en spioneren. Op dat gebied is er geen recessie.’ En zo zakken Nair, Adriko en de wereld waarvoor ze symbool staan rechtstandig weg in het moeras.

Het mag geen verbazing wekken dat Johnson ooit in romanvorm zijn blik op West- en Oost-Afrika zou richten. Hij schreef eerder voor Harper’s over het continent en zijn verhalen over de burgeroorlog in Liberia (The Civil War in Hell) en Somalië (An Anarchists Guide to Somalia) zijn opgenomen in de non-fictiebundel Seek (2001). ‘West-Africa is the land where God came to learn to wait. And then wait a little longer,’ zo schrijft hij daar.

In De lachende monsters schetst hij in groteske en fijnzinnige details een wereld waar je gerust een oude vrouw kan aanrijden, voor dood kan laten liggen en vol gas weg kan jakkeren, de onaantastbaarheid in. Waar je altijd maar het beste enigszins dronken kunt zijn. Waar je zonder wroeging een jeugdig hoertje neemt tegen wie je de meest verschrikkelijke dingen kunt zeggen, omdat ze je toch niet verstaat.

Johnson is vaak kameleontisch genoemd. Een schrijver (én journalist, én dichter) die de vorm van andere schrijvers aan kan nemen – denk in het geval van De lachende monsters vooral aan Graham Greene. Maar daarmee wordt voorbijgegaan aan de thema’s die al zijn werk doordesemen. Johnson wisselt misschien historie met het hedendaagse af, en ja, hij eigent zich de conventies van verschillende genres toe, om ze tot het breekpunt op te rekken, maar steeds weer schrijft hij over mannen die het spoor bijster zijn geraakt. Ze onttakelen, reflecteren de krankzinnigheid van de wereld en zijn hopeloos alleen. Soms is zo’n man een negentiende-eeuwse pionier die, na te hebben deelgenomen aan een lynchpartij, vervloekt lijkt en vrouw en dochter verliest bij een verwoestende brand (Treindromen, 2002). Soms zijn het drugsverslaafden op het platteland van de Midwest (Jesus’ son, 1992). Soms is het een professor die zich geharnast heeft in de rouw om een verloren gezin (The Name of the World, 2000).

Aardbewoners

Het sterkst is De lachende monsters verwant aan Johnsons meesterwerk, het met de National Book Award bekroonde Vietnam-epos Een zuil van rook (2007). Beide romans duiken zonder voorbehoud in de mist – zowel moreel als feitelijk – van het geopolitieke spel. En beide romans doen dat door de blik te richten op de kleine spelers die, halfblind, opereren in de schaduw van grotere plannen. Zoals Johnson zelf, in een spaarzaam interview met de Los Angeles Times, zei: ‘Ik kan me niet veel situaties heugen waarin ik ook maar het geringste idee had van wat er gaande was. Ondertussen lijken jullie mensen, jullie Aardbewoners, je helemaal thuis te voelen. Het is geruststellend een leeg vel te nemen en daar een wereld te scheppen waarin iedereen net zo verloren is als ikzelf ben.’

De lachende monsters is niet Johnsons beste boek – daarvoor is het bij vlagen nogal topzwaar aan gejaagde dialogen. Johnson is juist op zijn best als hij zijn werk laat ademen door trefzekere beschrijvingen. Ik zou dan eerder Een zuil van rook, Jezus’ zoon of het nog niet vertaalde kleine meesterwerk The Name of the World aanraden. Maar zelfs een mindere Johnson is een genot. Niet zoals een chocoladetaartje een genot is, maar zoals een whisky sour, op een te klamme nacht in een te ver land dat half echt voelt en half gedroomd.