Robot

‘Toch vind ik het een eng idee”, zei een oudere dame tegen me. „Dat we binnenkort allemaal door machines uit bed worden getild.” Ze schudde haar hoofd, alsof het beeld van een achtarmig creatuur daarin hinderlijk was blijven steken. „Een heel eng idee.” We hadden dezelfde lezing over robotica bijgewoond, in Arminius. We hadden toekomstdromen zelfstandig koffie rond zien brengen, Ramboësk zien schieten of erotisch horen kirren. Nu stonden we met een handjevol andere vrouwen te wachten op een vrij toilet.

Ik was nog druk bezig mijn notities af te ronden en daarom zei ik zonder nadenken: „Och, dat zal wel meevallen.” Die ondoordachte reactie zou ik mezelf een uur later kwalijk nemen, toen ik op het Kruisplein bij de tramhalte stond en een man op me af zag wankelen. „Heejij,” lalde hij, „heemeissie!” Hij zette één hand tegen de glazen zijwand van het hokje en legde de andere op zijn kruis. Intussen keek hij me aan met een behoeftige, waterige blik.

Natuurlijk had ik mijn notities best weg kunnen stoppen, toen ik daar bij de toiletten stond te wachten. Ik had tegen die mevrouw kunnen zeggen: loopt u nou nog even terug naar de zaal. Vraag gewoon aan die professor hoe het ook alweer zit, met die zorgrobots. Dan is hij vast bereid om te herhalen dat zulke dingen nog lang gaan duren. Dat het bovendien draait om incidentele ondersteuning van mensenhanden. ‘Zorgen dat’ is iets anders is dan ‘zorgen voor.’ Zo zei hij het toch? Vraag het even na. Stel uzelf gerust.

Maar ik deed het niet. Ik was nog bezig iets op te schrijven. Iets over onvermogen nota bene. Dat ook de knapste robot nooit in staat zal zijn te verlangen, te missen, zichzelf te betwijfelen. Dat ik me daar, flauw genoeg, altijd zo triomfantelijk over voel.

De man bij de tramhalte begon langzaam zijn gulp open te knopen en heel even bevroor ik, met mijn rug tegen de plattegrond van de stad. Hoe moest het ook alweer? Eerst gillen en dan een knietje? Eerst een knietje en dan gillen? Toen pas drong tot me door wat de man zei. En dat het verontschuldigend klonk, ondanks de dubbele tong: „Moenou echt nodig hoor, moenou echt.”

Terwijl ik me omdraaide en een paar meter verderop ging staan besefte ik dat angst zo werkt. Dat een oudere dame met al haar zorgen naar een lezing over robots gaat. En dat ze, ondanks uitgebreide informatie, met dezelfde zorgen weer vertrekt. We houden vast aan wat we vrezen, we luisteren soms zo slecht.

De dronken man plaste, buiten mijn blikveld, langdurig tegen de zijwand van de halte. Hij kreunde van opluchting. In de verte kwam een tram de bocht om. Bang zijn stuurt onze blik, dacht ik. Uiterst nauwkeurig, uiterst doeltreffend. Geen robot doet het ons na.