‘Ooit heette dit de Friese zee’

De rol van de Noordzee is altijd onderschat, terwijl deze bepalend is geweest voor onze economie en ons onafhankelijke denken.

Michael Pye: ‘De Hanzesteden zijn geen rolmodel voor de EU. Ze voerden oorlog als dat zo uitkwam, ze hadden verschillende rechtssystemen en waren het telkens oneens’ Foto Roger Cremers

De Britse historicus en schrijver Michael Pye (1946) groeide op aan de Noordzeekust, maar die interesseerde hem nauwelijks: koud water, zeewier, ijs en fish and chips, dat was het wel zo’n beetje. Vele jaren later maakte hij diezelfde zee tot de kern van een fascinerend boek over ‘onze’ noordelijke middeleeuwen. Aan de hand van talloze geschreven en archeologische bronnen laat hij zien dat de historische ontwikkelingen langs onze kusten veel belangrijker en invloedrijker voor de moderne wereld zijn geweest dan gewoonlijk wordt aangenomen. Niets ten kwade van het Zuiden, maar het is de Noordzee die ons heeft gemaakt tot wie we zijn. Een gesprek in IJmuiden.

Hoe kijkt u nu aan tegen deze zee?

„Eigenlijk is mijn ervaring met de Noordzee in het klein precies wat er gebeurde met de geschiedenis van de Noordzee. Toen in het begin van de 18de eeuw de badplaatsen opkwamen, begonnen we de kust als een bestemming te zien, we vroegen ons niet meer af hoe het zou zijn om die zee over te steken. Ik wil die verwondering laten zien en vertellen hoe de voortdurende contacten over water ons denken ingrijpend hebben veranderd en de moderne wereld mogelijk hebben gemaakt.”

Waarom heeft niemand dit boek al eerder geschreven?

„Omdat we zijn afgeleid door de zuidelijke Renaissance; die ‘herontdekking’ van de beschaving bracht ons terug naar de hoge cultuur rondom de Middellandse Zee, en daarmee werd duizend jaar geschiedenis teruggebracht tot de ‘duistere middeleeuwen’. En omdat mensen die schreven over de geschiedenis van het Noorden zo vreselijk nationalistisch waren. Het is een negentiende-eeuwse mythe te denken dat we altijd achter grenzen hebben geleefd, dat we etnisch verbonden waren met een bepaald gebied. Daarnaast zijn er te veel specialisaties in de geschiedschrijving: men mist het grotere verband.

„Voor mij begon het met mijn eigen onwetendheid. Waarom weet ik zo weinig van wat hier gebeurde tussen de val van Rome en de bloei van Antwerpen en Amsterdam, zeg tussen de 7de en 16de eeuw? Gelukkig wordt er meer opgegraven, wordt onze blik ruimer, ons begrip van het dagelijks leven toen wordt groter en we zien meer verbanden.”

Waarom lijkt u zich in uw inleiding op voorhand te verdedigen tegen beschuldigingen van chauvinisme?

„Kijk hoe die noordelijke geschiedenis is misbruikt, hoe de Noordzeeverbindingen zijn verdraaid door het Duitse nationaal-socialisme met hun Vikingsymbolen, of het samenwerkingsverband van de Hanze als bewijs van de Duitse dominantie. Ik sta ver van die claim van noordelijke superioriteit en ik zeg ook niet dat de Noordzee de moderne wereld creëerde. Het gaat om de verbanden en als we alleen het zuidelijke verhaal vertellen missen we de helft. Als je de Noordzee uitsluit van de geschiedenis is het onmogelijk het verband te zien met de rest van de wereld.”

Om toch even nationalistisch te zijn: het boek is voor een groot deel de geschiedenis van de Lage Landen: het begint met de Friezen.

„De Friezen waren zo belangrijk in de ontwikkeling van de handel dat tot in Londen Fries synoniem werd voor ‘handelaar’. De Noordzee heette zelfs lange tijd de Friese Zee. De Friezen waren toen alom bekend, niet erg oorlogszuchtig, en ze domineerden de handel over water.”

Dankzij het geld dat ze opnieuw uitvonden?

„Dat is cruciaal geweest en het heeft ons denken enorm beïnvloed. Natuurlijk waren er al munten in omloop, goud voor belastingen bijvoorbeeld, maar de Friezen gebruikten geld voor de dagelijkse handel, over land en zee, in gebieden waar ruilhandel gebruikelijk was.

„Dit bracht het idee met zich mee dat dingen een abstracte waarde hebben die je kunt berekenen en met andere kunt vergelijken. En daarmee doet de wiskunde zijn intrede in het dagelijks bestaan en in het (wetenschappelijk) denken van mensen. Ook in moreel opzicht: wat is de juiste, de werkelijke waarde van iets? Munten kregen dus nut door de handel en tegelijkertijd zouden de Friezen zonder de handel, in slaven, stoffen en vis, geen zilver hebben gehad om hun munten te slaan.”

„Toen in de achtste eeuw de Vikingen kwamen veranderde alles. Ze waren anders dan de anderen en zeer kundige zeelui. Hun aanvallen waren verwoestend, zoals de nieuw opgekomen steden langs de Noordzee ondervonden. Die steden waren ontstaan rondom kerken, kloosters, kastelen. Maar dankzij die plunderende Vikingen ontstond er ook een nieuw soort stad, meer zoals wij die kennen.

„Neem Dublin. Toen de Noormannen er de macht in handen hadden werd het steeds meer een handelsstad, niet een op de koning of kerk gerichte gemeenschap, maar naar buiten gericht. Het ironische is dat de Noormannen zelf geen steden hadden – tot ze weer teruggingen naar Noorwegen, toen bouwden ze die zelf ook. Zo invloedrijk zijn die overzeese verbanden. Je kunt bovendien niet 365 dagen per jaar moorden en plunderen: Vikingen gingen zich mengen met de Ieren zodat na een tijd moeilijk viel te onderscheiden wie wie was.”

Wat dreef ze ertoe zulke enorme reizen te ondernemen?

„Nieuwsgierigheid, de behoefte om te vertrekken, bestond al langer. Een van de opvallendste vondsten, nog uit de tijd voor de Vikingen, is een Boeddhabeeld bij een opgegraven boerderij in Zweden. Hoe komt dat beeld daar en waarom wilde een boer zoiets hebben? De Vikingen kwamen tot aan China, en waren in Constantinopel zelfs in dienst als lijfwachten. En ze reisden natuurlijk naar het verre Westen, naar Newfoundland en ‘Vinland’ (genoemd naar de gevonden wijnranken), in Amerika. De Vikingen reisden om het reizen, om te weten wat er elders is, niet om er op voorhand iets te halen.”

Waarom bleven ze niet lang in Amerika?

„Los van de confrontaties met de oorspronkelijk bewoners, hadden ze het talent om familieruzies en slechte huwelijken mee te nemen op expeditie, wat bepaald desastreus is in een kleine gemeenschap. Daarbij waren er spanningen tussen de bemanningen van de verschillende expedities. Er zaten natuurlijk ook wel wat moordenaars bij; in een van de sagen is het overigens een vrouw die flink wat reisgenoten met een bijl vermoordt.”

Terug naar Nederland. Het afgraven van turf had grote invloed op ons landschap en bestuur, maar volgens u is er ook een verband met de reinheid van onze steden. De achtergrond is dus turf in plaats van calvinisme, zoals we altijd dachten. Hoe zit dat?

„Het vernielde land werd weidegrond, er kwamen koeien in plaats van graan, en er ontstond een grote boterproductie. Als je boter exporteert moet alles smetteloos zijn, anders bederft je waar. De dochters van die boeren hadden weinig vooruitzichten en gingen naar de stad als dienstmeisjes. Ze hadden er een dominante rol en namen die schoonmaakwoede mee.”

Een grote rol in uw boek is toebedeeld aan de Hanze. Wat maakte dat verbond tot zo’n succes?

„Vis! De basis van de Hanzesteden rondom de Oost- en Noordzee is de haring, het verpakken, verschepen en verhandelen ervan. Zo’n product was er in Italië niet. De Hanze was uniek en een succes omdat ze onafhankelijk van landen was en een multinationale macht vormde, zij het dat het een losse organisatiestructuur kende.”

Volgens sommigen een model voor de Europese Unie?

„De Hanzesteden voerden oorlog onder elkaar als dat zo uitkwam, ze hadden verschillende rechtsystemen, waren het voortdurend oneens, dus ja, in die zin... Hun verregaande macht en meedogenloosheid blijkt uit de blokkade van Noorwegen toen de Noren eisten dat de Hanze in de winter graan leverde. Een hele bevolking werd gegijzeld, wat leidde tot enorme hongersnood, tot Noorwegen capituleerde. Ze waren in zekere zin erger dan de Vikingen, die gingen tenminste weer weg.”

Waarom eindigde het?

„De Hanze had geen centraal bestuur. Toen de VOC werd opgericht was dat één grote machtsfactor. De Hanze was dat nooit – soms werkten de steden samen, soms tegen elkaar. Dat werkte zolang ze het monopolie op zee hadden. Concurrentie luidde het einde in.”

Hoe zit het met de verspreiding van windmolens over zee en onze noordelijke gewoonte om relatief laat te trouwen?

„Er was hier veel minder druk op meisjes om jong te trouwen, zoals in Italië. Daar werd een bruidsschat meegegeven, en die werd hoger naarmate een meisje ouder was en moeilijker uit te huwelijken. Het was hun enige kans op eigen bezit. In het noorden was dat minder gebruikelijk en konden vrouwen wél erven. Er wordt hier dus later getrouwd en dat gaf jonge mannen de kans om door Europa te trekken. Dergelijke ambachtslieden begonnen zich ook te organiseren in gilden, zoals de vrijmetselaars. Of windmolens nu in Vlaanderen of Engeland ontstonden weten we niet, maar feit is dat de verspreiding langs beide kusten begon dankzij die rondtrekkende ambachtslieden met technologische kennis.”

Is de geschiedenis van de Noordzee dus vooral een economische? En heeft die zo geloof en emancipatie beïnvloed?

„Door de textielhandel was er voldoende redelijk betaald werk in de steden. Maar die ongetrouwde, vrome vrouwen – de begijnen – hadden wel bescherming nodig, vandaar de begijnhoven. Ze hoefden niet de prostitutie in of honger te lijden als ze zonder werk zaten. Voor het klooster had je geld nodig of land om toegelaten te worden. Anders dan de begijnhoven waren die een soort opslaghuizen voor meisjes van goede komaf tot ze uit te huwelijken waren. In Noord-Europa waren er honderden begijnhoven. Uiteraard werden ze ook bespot, omdat het als bedreigend wordt ervaren wanneer vrouwen eigen keuzes maken. Voor de kerk was het probleem dat ze direct tot God baden, zonder tussenpersoon. Een kerkfunctionaris meende dat begijn was afgeleid van begun, ‘mest’. Dat zegt genoeg. Begijnen bepaalden zelf hoe ze leefden. Voor mij zijn zij de heldinnen van dit boek.”