Mijn boek werkt beter dan Valium

In de reeks verzamelde krantenartikelen van de goedmoedige Vlaming is na elf jaar stilte dan eindelijk 1968 aan de beurt. Tussen de ‘Boontjes’ kom je pareltjes tegen.

Tekening Paul van der Steen

In stilte hadden de fans zich er al mee verzoend dat het monument onvoltooid zou blijven. Na verschijning van het achtste deel van de reeks Boontjes, nu elf jaar geleden, staakte uitgeverij Houtekiet de publicatie van wat in 1988 werd aangekondigd als een roman fleuve, de verzameling van de krantenartikelen die Boon van eind 1959 tot 1978 schreef in de Vlaamse krant Vooruit. Bij die acht prachtige delen zou het dan wel blijven: te duur, te weinig lezers.

Maar kijk, de rivier stroomt weer! Het Louis Paul Boongenootschap presenteert morgen het negende deel van de reeks, in linnen gebonden zoals de eerste acht. De boeken moeten vanaf nu jaarlijks verschijnen en tevens fungeren als jaarboek van het gezelschap dat de liefhebbers van de Vlaamse net-niet-Nobelprijswinnaar verenigt.

En zo kunnen we aan de hand van Boon (1912-1979) het jaar 1968 door. Dus weten we nu wat de abonnees van Vooruit vandaag precies 46 jaar geleden bij hun ontbijt lazen. Een huiselijk verhaaltje over de schrijver Boontje die voorbereidingen treft voor de opening van een schilderijententoonstelling, tot en met de oogschroefjes die hij hoogstpersoonlijk in de lijsten moet draaien. ‘Ach, vertel het niet voort, maar ik had meer ambras met er die oogvijzen in te krijgen, dan met het hele schilderij te maken.’ Volgt nog het een en ander over de expositielogistiek, een kwinkslag (‘Ge weet het, er zijn twee soorten mensen die tentoonstellingen bezoeken: mensen zonder geld die niet kopen en rijke mensen die ook niet kopen.’) en de observatie dat je vroeger alleen de deur open hoefde te zetten om een expositie te ‘openen’, maar dat er nu een toespraak wordt verlangd: ‘Jaja, het publiek dat niet koopt, stelt steeds strengere eisen.’

De kalmte is representatief: Boontje schreef met een grote goedmoedigheid. Méér nog dan zijn Nederlandse generatiegenoot Simon Carmiggelt poseerde hij als een vriendelijke oom of opa. En vaker dan Carmiggelt staat Boon in de gemaksstand. Dan besteedt hij twee achtereenvolgende columns aan het navertellen van leuke kinderuitspraken die hij uit een boekje heeft of vertelt hij hoe goed hij biefstuk kan bakken. Of hij vertelt vrolijke anekdotes over Marilyn Monroe, Gina Lollobrigida en Sophia Loren. Achterbuurtmeisje Sophia over boerinnetje Gina als deze de koningin van Sheba speelt: ‘Een koningin die nog altijd naar de koe ruikt! Zei ze.’

Grootste vijand

In het begin van het jaar haalt hij dagenlang herinneringen op aan zijn redacteurschap bij het tijdschrift Tijd en mens, dat verscheen tussen 1949 en 1955. Dat levert schitterende verhalen op. Zo steekt Boon vrolijk de draak met Hugo Claus, die andere grote naoorlogse Vlaamse schrijver, van wie hij nooit wist of het nu zijn grootste vijand of zijn beste vriend was. Boontje maakt geen geheim van zijn jaloezie (met name omdat Claus het hield met ‘een filmster’), maar constateert dat Claus eigenlijk heel aardig voor hem was: ‘Hij schreef een hele mooie studie – ik bedoel een heel lovende – over mij. En als ik op bezoek ging overstelpte hij me met foto’s van filmsterren, pornografische boeken en ganzenpastei.’ En dan eindigt het stukje beeldschoon met de ontreddering van de hoofdredacteur van het tijdschrift als deze hoort dat Claus en Boon Tijd en mens allebei ‘zo beu zijn geworden als koude pap.’ Hij zei: ‘Moeten we dan zelfmoord plegen.’

Net als in zijn romans, stijgt Boon tot grote hoogte als hij zich ontfermt over de stakkers in zijn omgeving. Onvergetelijk schrijft hij over zijn vriend, de dichter Ben Cami: ‘Zo om de zes maand schreef Cami een gedicht. Hij zocht hiervoor het meest blanke en meest glanzende papier dat te vinden was en sleep een haast eindeloos lange punt aan het potlood. Ik geloof dat hij over elk woord veertien dagen lang zat na te denken. En als het gedicht een jaar oud was, herlas hij het, begon weer een zeer scherp punt aan het potlood te slijpen en schrapte hiermee een komma.’ En het vervolg, omdat het zo mooi is: ‘Het waren zeer mooie gedichten. Hij was erin op zoek naar iets dat de God zijner voorvaderen op waardige wijze vervangen kon. En als hij dat Iets had gevonden, voor een enkel ogenblik dan, verliet hij de Olympus om zich in de kroeg van dat iets te ontmaken.’

Zulke pareltjes duiken geregeld op in Boontjes 1968, maar als je doorleest en de al te nikserige stukjes voor lief neemt ontstaat er óók een mooi portret van de kunstenaar als oudere man. Een oudere man die worstelt met een groot boek, want er is bij alle overeenkomsten een groot verschil tussen Boon en Carmiggelt. Voor die laatste waren zijn Kronkels zijn hoofdwerk, Boon maakte zijn Boontjes naast zijn romanwerk.

Zo schrijft hij af en toe over Pieter Daens, het boek waarin hij vast dreigde te lopen. Eerst heeft hij het perspectief veranderd, daarna is hij aan het schrappen gegaan: ‘Mijn vrouw is er eenmaal aan begonnen, en ontdekte dat het een beter slaapmiddel was dan haar pilletjes Valium 5.’ Pieter Daens verscheen trouwens twee maanden geleden in de even onvolprezen reeks Verzameld werk van Boon.

Miskenning

Dat zelfportret is niet altijd vrolijk. Louis Paul Boon heeft zijn leven lang gezelschap gehad van een gevoel van miskenning. Tussen alle zelfspot door schemert dat gevoel als hij schrijft over De Kapellekensbaan en Zomer te Ter-Muren. ‘Maar soms, als niemand in huis is, leg ik die twee dikke boeken op de vloer en ga ik er bovenop staan. Als een standbeeld.’

Meer treurnis komt boven als Boontje ineens twee dagen achter elkaar schrijft over hetzelfde onderwerp: de kritiek die hij van zijn vrouw krijgt over de wijze waarop hij op feestjes aan de fuif gaat – dan is hij alleen maar een oude eenzame man die onder de plak zit bij zijn echtgenote. En die soms in zijn werkkamer een standbeeld nadoet. De stakker die Boon het mooist kon beschrijven, was hij zelf.