Ik móét de keuze van mijn ouders de moeite waard maken

Regisseur Daria Bukvic (25) maakte samen met acteurs uit Syrië, Iran en Bosnië de voorstelling Nobody Home. Met haar vluchtverhaal wil ze Nederlanders bereiken die niets weten van asielzoekers.

foto bram budel

Ze zijn alle vier 25, en werden kort na elkaar geboren in respectievelijk Syrië, Iran en Bosnië. In 2009 ontmoetten acteurs Majd Mardo, Saman Amini, Vanja Rukavina en regisseur Daria Bukvic elkaar op de Toneelacademie Maastricht, toen een ‘wit Tsjechov-bolwerk’. Nu maken ze samen de voorstelling Nobody Home, over vluchten en ontworteling. Snel en geestig, maar niettemin schrijnend, vertellen ze op toneel over het racisme, bedoeld en onbedoeld, het heimwee van hun ouders, de onmacht, de frustratie, en het onvermogen tot contact. Bukvic: „Als je een taal niet goed beheerst, ben je nooit 100 procent spontaan.”

Hun eerste kennismaking met Nederland was het asielzoekerscentrum. Bukvic zat er gelukkig ‘maar’ twee jaar, van haar derde tot haar vijfde, nadat ze met haar moeder uit Tuzla in het voormalig Joegoslavië was gevlucht. Amini zat er zelfs zes jaar, van zijn elfde tot zijn zeventiende, „zijn hele puberteit”, waarvan ook nog eens zes weken in een ‘detentiecentrum’. Bukvic: „Een eufemisme voor gevangenis. In Nederland stoppen we dus gevluchte kinderen in de gevangenis.” Haar voorstelling Nobody Home heeft als doel het veelal onwetende publiek over die misstanden te informeren. „Ik ben jong en naïef genoeg om te denken dat theater de wereld kan veranderen.”

Theaterstuk van haar vluchtverhaal

Bukvic, die in 2011 als regisseur afstudeerde van de Toneelacademie, was altijd al van plan een voorstelling te maken over haar vluchtverhaal. „Het was allesbepalend voor de rest van mijn leven.” Ze wist ook al lang dat ze het met Mardo, Amini en Rukavina wilde doen, bevriende makers met een vergelijkbaar levensverhaal. Het plan werd concreet toen ze vorig jaar voelde dat de spanning omtrent vluchtelingen en asielzoekers steeg.

„De berichten over Lampedusa en Syrische asielzoekers namen toe; ik zag een stijgende tendens tot bangmakerij, en had het gevoel dat dat wel eens snel tot een climax zou kunnen komen. Dat zie je nu: hoe zo’n opstootje in het asielzoekerscentrum in Overloon enorm wordt opgeblazen. Terwijl: er leven in die centra vijftig verschillende culturen samen in een kippenhok, vaak ook nog getraumatiseerde mensen. Hoe vaak dat niet gewoon goed gaat!”

Als research voor de voorstelling interviewden de vier makers hun ouders, en dat leverde hartverscheurende verhalen op. Bukvic: „Terwijl ze er normaal nóóit over praten. Mijn moeder heeft altijd geweigerd zich te voegen in de slachtofferrol. Een psycholoog bezoeken was dan ook geen optie, daar zijn de meeste Joegoslavische mensen ook veel te trots voor”.

Ze vertelt hoe haar moeder, met haar op de arm, over de laatste, nog niet geheel verwoeste, brug tussen Bosnië en Kroatië klom, deels met een touwladder, terwijl ze lijdt aan hoogtevrees. Niet veel later werd het laatste restje brug met iedereen erop kapotgebombardeerd. Bij Bukvic leidden de ervaringen tot angsten – „angst voor het donker, angst voor witte busjes” – en een overbeschermde jeugd. „Als ik in het asielzoekerscentrum naar het basisschooltje ging, verschool mijn moeder zich in de bosjes om te kijken of het oké was. Ze hield er pas mee op toen de leraar haar verzekerde: ‘wij gaan uw kind beschermen’. Maar het duurde zeker tot mijn tiende voordat ik onbekommerd kon rennen en spelen. ’s Nachts alleen over straat gaan vind ik nog steeds lastig.”

Toen ze twaalf of dertien was, vertelt Bukvic, kreeg ze een agressieprobleem: „Ik ging jongens in elkaar slaan. Allemaal onmacht, de onmacht van mijn ouders. Er bestaat geen dialoog met immigranten, en als er niet naar je wordt geluisterd, dan verval je in spierballentaal.”

De echte pijn is geen contact maken

De voorstelling toont heftige momenten, van expliciet raciaal geweld. Vanja Rukavina vertelt hoe zijn vader hem als jongetje trots meenam naar beneden om zijn eerste eigen auto te laten zien. Eenmaal buiten bleek die verwoest: banden lek gestoken, ruiten ingegooid, en er was op de auto een hakenkruis geschilderd.

Bukvic: „De racistische incidenten zijn erg; hoe vaak ik niet ben uitgescholden. Maar de echte pijn zit in het nooit contact kunnen maken. Integreren, hoe doe je dat? Wij moesten tien kilometer fietsen naar de dichtstbijzijnde supermarkt.”

Het verdrietigste voorbeeld vind Bukvic misschien wel dat van haar eigen vader. „Stel je voor: een slimme, hoogopgeleide man – in Joegoslavië was hij jurist – die de taal niet spreekt, en een poelier zoekt. Ik bedoel: dat woord heb ik zelf ook pas een paar jaar geleden geleerd! Dus hij spreekt een vrouw in een auto aan, en doet een kip na. En zij draait natuurlijk gauw haar raampje dicht; die dacht dat hij gek was.” Ze lacht: „Het zou grappig zijn als het niet zo treurig was.”

En nu wil ze zo lang mogelijk spelen

Alle vier voelen ze tot op de dag van vandaag de last van hun vluchtverleden, zegt Bukvic. Op de Toneelacademie werkte zij bijvoorbeeld veel te hard, en raakte overspannen. „Toen heb ik onderzocht waar die enorme prestatiedrift vandaan kwam, en het is simpel: ik móét slagen. Ik móét de keuze van mijn ouders de moeite waard maken. Zij hebben zoveel opgeofferd.”

Toen Bukvic deze zomer in het tijdschrift Elle stond, in een productie over 25 veelbelovende vrouwen van 25, verklaarde ze op soortgelijke wijze haar ambitie. „Het was heel eervol, met een mooie, grote foto erbij, ik werd overspoeld met complimenten.” Maar alle positieve reacties en likes vielen in het niet bij het berichtje van haar moeder, die schreef: ‘Daria, stop met terugbetalen. Het is genoeg; ga voor jezelf leven’. „Dat was best een beetje een bevrijding. Al heeft het uiteindelijk niet heel veel veranderd. Het zit in mijn systeem; alles is compensatie.”

Hoewel hun verhalen daar op veel bijval en herkenning zouden kunnen rekenen, willen Bukvic en haar acteurs de voorstelling niet per se spelen in asielzoekerscentra: „Die mensen kennen dit verhaal al.” Ze willen juist het onwetende Nederlandse publiek bereiken. „In Nederland is het heel gebruikelijk om dingen die niet gezien mogen worden, weg te stoppen. Van mijn asielzoekerscentrum is op internet niet één foto te vinden. We willen mensen iets vertellen dat ze nog niet weten.” De makers willen de voorstelling dan ook zo lang mogelijk spelen, in alle uithoeken van het land.

Bukvic heeft geregeld dat op de première zaterdag Lodewijk Asscher aanwezig is. „Dit is een verhaal dat politici ook moet bereiken. Asscher zit nota bene in het kabinet met Fred Teeven. Ik ga zorgen dat ze niet meer om ons heen kunnen. Wij willen een abstract debat een menselijker gezicht geven.”