Een echte metropool wil de stad maar niet worden

Rotterdam steekt qua architectuur menig stad naar de kroon, maar wat culturele ontwikkeling betreft blijft de stad gewoon of erger: gewoon doods. Dat zegt Jacques Börger van Museum Rotterdam.

Illustratie Mirjam Laater

Rotterdam presenteert zich graag in overtreffende trap: hoog, hoger, hoogst. De ambitie is een metropool te worden en die dateert al van begin vorige eeuw. Maar als je serieuze ambities hebt, moet je die vasthouden en verankeren en daar is sloopstad Rotterdam niet goed in.

Rotterdamse ambities lijken onderhevig aan de getijden: eb en vloed wisselen elkaar af. De Nieuwe Waterweg gaf ooit een flinke impuls aan Rotterdam Wereldhavenstad, maar het werd meer haven dan stad. In het Interbellum verschenen toonaangevende modernistische gebouwen en was Rotterdam het uitgaanscentrum van Nederland, maar de oorlog brak deze ontwikkeling ruw af en in de jaren van de Wederopbouw werd de draad niet opnieuw opgepakt. In de jaren tachtig ontstond van onderaf een nieuw stedelijk elan met onder meer een internationaal tot de verbeelding sprekende design en dancecultuur. Wat stadsontwikkeling betreft gebruikte Rotterdam de slogan ‘Manhattan aan de Maas’.

Die culturele ambities culmineerden in 2001 in Rotterdam Culturele Hoofdstad van Europa. Maar dat werd een feestje voor de elite genoemd en legde niet de basis voor de beoogde culturele infrastructuur. Meteen na de gemeenteraadsverkiezingen van 2002 trok Rotterdam zich terug in het leefbare bastion van ‘schoon, heel en veilig’. Een echte metropool wil Rotterdam maar niet worden.

Voor alle duidelijkheid: ‘schoon, heel en veilig’ is geen ambitie, dat is een basistaak van de overheid. De liberale burgervader Opstelten ging er dan ook fanatiek mee aan de slag en deed daarmee zijn naam geen eer aan. Inmiddels is Aboutaleb burgemeester en is het DNA van de stad bepaald op Rauw, Internationaal en Ondernemend, Manhattan aan de Maas wordt dus RIO aan de Maas.

Met dat DNA is niets mis. Het plaatst Rotterdam op één lijn met havensteden als Marseille, Bremen en Liverpool, steden met een rafelrandje, wat de Engelsen edgy noemen. Steden waar iets te ontdekken valt en die je moet veroveren. En ja hoor… er wordt weer gesproken over een nieuw elan. Rotterdam beroemt zich op het Centraal Station, de Markthal, gelukkig ook op het Schieblock, tijdschrift Gers en opiniesite Vers Beton en vooral op de vermelding in de Rough Guide en benoeming tot Europese Stad van 2015. Gaat het nu dan toch lukken?

Nee, want op schone en veilige constructies van staal en vers beton kan niets groeien. En juist een vruchtbare humuslaag is wat Rotterdam nodig heeft, een voedingsbodem waarin cultuur breed wordt gewaardeerd en talent kan ontkiemen. En dan hebben we het over het element dat steeds genegeerd wordt: de inwoners van deze stad, de Rotterdammers en vooral zij die boven het maaiveld uitsteken, Rotterdammers die de intellectuele, culturele en sociale skyline van de stad bepalen. Niet ‘wat is onze hoogste’ moet de vraag zijn, maar ‘hoe worden wij de besten?’ Hoe bouwen we een skyline van Rotterdammers?

Waarom toch wil die grootstedelijke cultuur maar niet bloeien op Rotterdamse bodem en blijft het bij luchtkastelen? Dat heeft te maken met de samenstelling van die bodem.

Van 1870 tot 1910 groeide Rotterdam in ongekend tempo, veel mensen uit het omringende platteland trokken naar Rotterdam voor werk en dat waren beslist geen metropolieten.

Na 1960 zorgde de economische groei voor een tweede golf van migranten en in de jaren 80 veranderde de bevolkingssamenstelling opnieuw, toen 25 procent van de bevolking wegtrok uit de stad naar de buitenwijken en vervangen werd door wat we inmiddels nieuwe Rotterdammers noemen. Zo’n demografische ingreep bepaalt de mogelijkheden tot het creëren van een metropole stadscultuur. Sinds eind 19de eeuw blijft de dorpse en oppervlakkige blik van inwoners en beleidsmakers de grote stad beheersen.

Maar die bevolking van Rotterdam heeft nog iets bijzonders. In de woorden van Hein van Haaren, voormalig directeur Academie voor Beeldende Kunsten in Rotterdam: „Een belangrijk deel van de stadsbevolking komt uit de waarden, waar niet de mens maar een bijzonder strenge God regeert. Dat is een kant van Rotterdam die sterk aanwezig is in de stadscultuur: tussen Maassluis en de Alblasserwaard regeert zo een wereld die niet stedelijk is. Dat proeft men in de stad.” En dan laten we de nieuwe religieuze stromingen maar even buiten beschouwing.

Rotterdam steekt qua architectuur menig stad naar de kroon, maar wat culturele en intellectuele ontwikkeling betreft blijft Rotterdam doodgewoon of erger: gewoon doods. Met de hoogste bezuinigingen op cultuur van heel Nederland, dat dan weer wel.

Wat is dat voor stedelijke ambitie? Juist in de culturele ontwikkeling zouden de stad en haar inwoners meer ambitie moeten tonen, anders wordt elk elan gesmoord door de heimelijke wens om van Rotterdam eigenlijk een groot-Barendrecht te maken.