Blije varkens hebben een prijs

Nederland houdt zondag een top over dierenwelzijn. Hoe goed zijn wij voor vee?

Een varkenshouder in Bathmen maakte een glijbaan voor zijn beesten. Foto ANP

De brand in zijn stal had een paar weken geleden het einde kunnen betekenen van zijn 240 scharrelvarkens. Hoewel de schade beperkt bleef, zit de schrik er goed in bij varkensboer Chris Hoeven uit Oirschot. De fles, de aansteker en het spuitbusje die de brandweer vond, bewijzen brandstichting.

Hoeven vermoedt dat er een actiegroep achter zit. Hij maakt zich al langer zorgen over het negatieve imago van veehouderijen. „Wij worden neergezet als op winst beluste dierenbeulen en milieuvervuilers.” Hoeven herkent zich daar niet in en roept daarom in een open brief buren, burgers en de politiek op om in gesprek te gaan.

Dierenbeulen en milieuvervuilers – een imagoprobleem of bittere praktijk? Alle plofkippen, eendagskuikens en industrievarkens ten spijt, Nederland mag zich koploper noemen op het gebied van dierenwelzijn. Althans, dat zegt staatssecretaris Sharon Dijksma (Landbouw, PvdA), die het voortouw wil nemen voor strengere regelgeving in Europa.

Daarom houdt zij zondag een top over dierenwelzijn, samen met Duitsland en Denemarken. Als alleen de eisen aan Nederlandse boeren verscherpt worden, komt de Nederlandse concurrentiepositie in gevaar. Maar hebben kippen, koeien en varkens het daadwerkelijk beter op Hollandse bodem? En als dat zo is, hoe komt het dan dat het draagvlak voor de veehouderij in de samenleving zo klein is?

‘Meer ruimte kost meer geld’

30.000 varkens leven in de megastallen van Martin Houben uit het Limburgse Ysselsteyn. „Deze gaan over drie maanden ze naar de slachterij”, zegt de varkensboer, als hij een staldeur opentrekt. In elk hok van twaalf vierkante meter zitten twaalf varkens. Ze zijn precies op de helft van hun leven.

Een paar deuren verderop lopen varkens die bijna rijp zijn voor de slacht. Inmiddels 115 kilo, maar nog steeds één vierkante meter per varken. Zielig? „Meer ruimte kost meer geld hè”, zegt Houben. Zijn varkens hebben nog altijd twintig procent meer ruimte dan de Nederlandse minimumnorm. De Europese lat ligt zelfs nog lager: 0,65 vierkante meter per varken.

Volgens Hans Spoolder, hoofd van de afdeling Dierenwelzijn van de Wageningen Livestock Research, doet Nederland net als een aantal andere landen in Noordwest-Europa vaker een schepje boven op de minimale eisen die Europa stelt aan dierenwelzijn. „In Oost- en Zuid-Europa is dat niet aan de orde.” Daarnaast besteden scholen in Noordwest-Europa en Scandinavië meer lesuren aan dierenwelzijn.

Ook boekt Nederland sneller vooruitgang op het gebied van dierenwelzijn dankzij overleg tussen stakeholders. Spoolder denkt dat het poldermodel daarbij een rol speelt. „Nederland gaat sneller de dialoog aan. In de Raad voor Dieraangelegenheden – adviesorgaan van de overheid – praat zowel het bedrijfsleven als de dierenbescherming mee. In andere landen staan tegenstellingen meer centraal.”

Varkens eten afgekeurde friet

Hanneke van Ormondt van Wakker Dier ontkent dat Nederlandse boeren het beter doen. „Koploper? Er wordt geen krulstaart minder afgeknipt, geen dier minder geslacht. De schaalvergroting is onbegrensd. We kunnen ons op de borst kloppen dat die varkens een paar centimeter extra hebben, maar de veehouderijsector is nog steeds één grote industrie.”

Verbeteringen noemt Van Ormondt „gerommel in de marge”. Ze wijst liever naar Engeland, waar veel varkens ongecastreerd buiten lopen. Of naar Noorwegen en Zweden. Daar is staartjes knippen verboden, stro verplicht en wroeten voor elk varken een erkende basisbehoefte.

„Tja, in Zweden loopt bijna geen varken meer rond. De boeren zijn daar kapot geconcurreerd”, reageert Houben. Hij kiest kiest er bewust voor zijn varkens binnen te houden. Niet dierenwelzijn, maar milieu staat hoog op zijn prioriteitenlijst. Reden: de vraag naar goed en betaalbaar vlees stijgt. „Ik vind het belangrijk dat de aarde niet te veel wordt belast.” Zijn varkensvoer is duurzaam. „Elke week eten ze vijftig ton afgekeurde friet.” Van de mest en voedselresten produceert hij biogas.

Grootschaligheid is een voorwaarde voor een milieuvriendelijke aanpak. „Wil je biogas produceren, dan heb je minstens 20.000 varkens nodig.” En: „Om het hoofd boven water te houden, moet je investeren en groeien.” Hij heeft uitbreiding naar 35.000 varkens aangevraagd.

Milieu staat haaks op welzijn, zegt Houben. „Als ik de varkens buiten laat scharrelen, heb je meer uitstoot van ammoniak en fijnstof. Mest kun je dan ook niet duurzaam verwerken, want de poep valt in het gras.” Het welzijn van de varkens mag buiten beter zijn dan binnen, in een moderne stal kun je juist de temperatuur goed regelen en het antibioticagebruik indammen, legt Houben uit. „Als iedereen zo efficiënt en duurzaam als wij zou werken, zouden we met dertig procent minder varkens toe kunnen.”

Nederland mag dan relatief diervriendelijk zijn, maar merken de beesten in de stal dat ook? Dat zou goed kunnen, denkt Spoolder, al ontbreekt vergelijkend internationaal onderzoek.

In ieder geval is gezondheid een cruciaal criterium, zegt Kees Scheepens, varkenshouder en gepromoveerd dierenarts. Verder zit een varken lekker in zijn vel als het in de modder kan rollen, stro heeft en kan wroeten in de grond. Scheepens denkt dat ook varkens in de stal dit natuurlijk gedrag kunnen vertonen door bijvoorbeeld een installatie waar het varken „met een druk op de knop kan kiezen voor een afkoelende douche”.

Een scenario dat niet is weggelegd voor dieren in de controversiële varkensflats, die veehouderij combineren met duurzame voedselproductie. Onderzoekers van de Wageningen Universiteit bekeken hoe in de flats toch „een relatief hoog niveau” van dierenwelzijn mogelijk is. Modder en stro horen daar niet bij.

Het rapport Van mega naar beter concludeerde in 2011 al dat de maatschappelijke acceptatie verder gaat dan onze wet- en regelgeving. Zo zit de verkoop van varkensvlees met één ster van het keurmerk Beter Leven - dat ook Houbens vlees heeft - elk jaar in de lift. Spoolder: „Elders in Europa kijken consumenten vooral naar de overheid; Nederlanders maken in de supermarkt bewustere keuzes.

Onderzoek naar opvattingen over megastallen in 2011 wees uit dat de weerstand tegen megastallen niet alleen groter is, maar ook uitgesprokener. Houben herkent het imagoprobleem waarmee zijn collega uit Oirschot kampt. Hij zucht. „Weet je, om vlees te maken moet je altijd een dier doden. Dat ligt gevoelig. Daarnaast denk ik dat we als sector niet sterk zijn in pr. We vertellen ons verhaal te weinig.”