We weten nog steeds niet of Het Nieuwe Werken werkt

Foto HH

Als het Nieuwe Werken betekent dat je geen eigen bureau meer hebt, dat je om zeven uur op kantoor moet zijn om een goeie plek te hebben, dat je best af en toe thuis mag werken maar dat je dan ook in het weekend en ’s avonds laat per mail en telefoon bereikbaar moet zijn – wat was er dan eigenlijk mis met het Oude Werken? En mogen we het terug?

Die grap over het Nieuwe Werken – het heet nu al een jaar of tien ‘Nieuw’ – is regelmatig te horen. Maar of mensen door het Nieuwe Werken creatiever, gemotiveerder en beter in hun werk zijn geworden, of misschien juist slechter, is niet goed wetenschappelijk onderzocht. Dat komt onder meer doordat er geen overeenstemming bestaat over wat het Nieuwe Werken precies inhoudt. Er is geen eenduidige definitie, bevestigt Nick van der Meulen van de Rotterdam School of Management (RSM), die bezig is met promotieonderzoek naar het Nieuwe Werken.

“Het is een parapluterm. Elke organisatie geeft er zijn eigen invulling aan.”

Van Kooten en de Bie waren in 1986 hun tijd ver vooruit:

De Het Nieuwe Werken (HNW) Barometer, een enquête van de RSM, deelt het Nieuwe Werken in maar liefst 17 componenten in. Van ‘thuiswerken toestaan’ tot ‘thuiswerken faciliteren’, van ‘activiteitgericht werken’ tot ‘resultaatgericht managen’, en van een ‘open, flexibele kantooromgeving’ (lees: de kantoortuin zonder vaste werkplekken) tot ‘digitaal documentbeheer’ (oftewel het papierloze kantoor).

Te vaag om te onderzoeken

Het Nieuwe Werken is als geheel dus te vaag om te onderzoeken. Er is ook geen veelgebruikte Engelstalige term voor in de internationale wetenschappelijke literatuur – het Nieuwe Werken lijkt al even Nederlands als de onvertaalbare ‘heidag’. Voor zover er onderzoek wordt gedaan naar het Nieuwe Werken, gebeurt dat per component. Dan blijkt bijvoorbeeld dat kantoortuinen slecht kunnen zijn voor de concentratie en de productiviteit.

“Maar als iemand dan zegt dat hij thuis gaat werken om niet gestoord te worden, dan wordt daar vaak scheef naar gekeken.”

Dat zegt psycholoog Josette Gevers (TU Eindhoven), die onderzoek doet naar verstoringen op het werk. “De baas en collega’s denken niet automatisch: die is thuis heel hard aan het werk.” Heel autonoom werken, zoals in het Nieuwe Werken wordt gepropageerd, kan ook niet iedereen aan, zegt Gevers.

Spontane ontmoetingen

En die vaste eigen werkplek, vinden mensen dat niet gewoon heel belangrijk? Volgens Nick van der Meulen kan het invoeren van kantoortuinen met flexplekken ook gunstig uitpakken. “Dat kan spontane ontmoetingen en kennisuitwisseling versterken”, zegt hij.

“Maar er moeten ook stiltegebieden aanwezig zijn. Er moet vooraf goed gepraat worden met de architect én de werknemers om te zorgen dat de werkomgeving past bij het type werk.”

In de HNW Barometer bleek dat de angst voor het verlies van de vaste werkplek als belangrijkste obstakel wordt gezien bij het invoeren van het Nieuwe Werken in enigerlei vorm. De enquête is niet onder een representatieve steekproef van Nederlandse bedrijven gehouden – iedereen kan hem op internet invullen – maar dat is in elk geval een opvallend resultaat.