Column

Waarom het nooit écht vrede zal zijn in de stal

Ze liepen bedaard door de stal, snuffelden eens hier, namen eens poolshoogte daar. Knabbelden wat, of gingen er even bij liggen. De tachtig melkkoeien van een bevriende boer gingen volledig hun gang in de ruime en volautomatische stal. Af en toe liep een koe naar een draaiende borstel op konthoogte, en liet de zaak fijn schoonmaken – zoals men de schoenen pleegt te poetsen aan net zo’n draaiende borstel in een hotel. En mocht de aandrang komen, dan vervoegde een koe zich bij de melkrobot, die automatisch zijn gang ging, de opbrengst mat en daar eventueel de samenstelling van het voer aan aanpaste.

Leerzaam, zeker met het oog op het vrijgeven van de melkquota per volgend jaar, waardoor de marges in het boerenbedrijf nogal onder druk kunnen komen. Het zal efficiënter moeten, grootschaliger worden. Killer, misschien. Je mag het al dan niet eens zijn met het gebruik van dieren voor menselijke consumptie en de noodzaak van uitweiden. Mocht je daar geen probleem in zien. dan kwam deze stal naar omstandigheden dichtbij een aardig koeienleven.

De boer in kwestie, een slimme en vriendelijke man die zich niet gek laat maken, was dankzij de melkrobot bevrijd van de ketens die zijn branchegenoten eeuwenlang aan hun stal gekluisterd hielden. Hij kon nu wat later op, en af en toe ook een dagje weg. Bij onraad belde de melkrobot naar zijn smartphone. U leest het goed: de melkrobot belt zelf.

Ideaal? In theorie wel. Maar, zo zei de boer, er was een achttal koeien dat zich nooit goed aan het regime hield. Ze vertikten het soms naar de robot te gaan, zichzelf te borstelen, aten wat onregelmatiger dan de rest. Dat, zei de boer, was op alle veehouderijen wel zo.

Zonde: zonder die acht zou het boerenleven nog gerieflijker zijn geworden. En dus stelde de stadsmens een slim bedoelde vraag: als tien boeren met tachtig koeien nou eens afspreken dat één van hen, tegen een vergoeding van de anderen, alle tachtig probleemkoeien nam. Dan hadden de andere negen boeren tachtig voorbeeldige koeien, en geen omkijken meer naar hun stal. Eén zat met alle moeilijk opvoedbaren, maar kreeg daar dus wat extra’s voor van de andere boeren.

De boer keek meewarig. Alsof ze daar niet allang aan hadden gedacht. Natuurlijk. Maar het werkte niet, zei hij. Er was hier sprake van een onverklaarde wetmatigheid. En die gaat als volgt: van die tachtig samengebrachte probleemkoeien zouden er 72 zich plots voorbeeldig gaan gedragen, en acht niet. En in alle negen probleemloze veestapels zouden zo’n acht voorheen gehoorzame koeien spontaan de kont tegen de krib gooien. Elke boer zat daarna dus weer precies met hetzelfde probleem.

Dat gaf te denken. Zo aan het einde van het jaar, als het tijd is voor bezinning, peinzen ondernemers en managers terugblikkend over de samenstelling van hun bedrijfsonderdelen, afdelingen en teams. Vol goede voornemens over verandering naar effectieve units van gelijkgestemden. Hard werken, niet zeuren, meedenken – maar vooral niet te veel. Weg met de lastige types die de afgelopen jaren zo effectief zijn beschreven in collega Japke-D. Bouma’s kantoorjungle.

Nu is een werknemer geen koe – ondergetekende zou zich daarmee zelf tot lid van een veestapel benoemen. Maar wat nu als elk team van werknemers noodzakelijkerwijs bestaat uit verschillende types? Wat als de verscheidenheid in rollen telkens spontaan ontstaat in een groep die homogeen bedoeld was? En wat als die heterogeniteit kennelijk een functie heeft? Dan wordt het zinloos om eindeloos te blijven schuiven en samenstellen. En wordt zinvol om om te leren gaan met de verschillen tussen mensen die er nu eenmaal, onvermijdelijk, zijn.