Tachtigers zijn de rebellen van nu

De generatie kunstenaars die doorbrak in de jaren zestig maakt werk dat nog even recalcitrant is als toen. En ze doen nog steeds waar ze zin in hebben.

foto stedelijk museum Schiedam

De verbazing was groot, toen deze zomer bekend werd dat kunstenaar herman de vries Nederland volgend jaar mag gaan vertegenwoordigen op de Biënnale van Venetië. „de vries, die is toch al stokoud”, hoorde ik mensen zeggen.

Er waren voor de tentoonstelling 56 plannen ingediend; op de shortlist stonden populaire, veel jongere sterren als Rineke Dijkstra, Erik van Lieshout en Ellen Gallagher. Maar verrassend genoeg was het de 82-jarige de vries die er met de hoofdprijs vandoor ging. Omdat zijn werk volgens de jury „actueel is in een tijd waarin ecologische kwesties op een bredere maatschappelijke aandacht kunnen rekenen”.

herman de vries is een kunstenaar die de revolutionaire jaren zestig bewust heeft meegemaakt en die daar een heerlijk anti-autoritaire houding aan overgehouden heeft. Je ziet het aan de recalcitrantie waarmee hij zijn naam nog altijd zonder hoofdletters schrijft, omdat die duiden op hiërarchie – en daar is hij tegen. Hij is een kunstenaar die graag naakt door het woud loopt op zoek naar materiaal voor zijn werken – een schedel van een dier, een mooie boomstronk – en die tot voor kort nog regelmatig een jointje opstak voor de inspiratie. „Mijn werk heeft geen lijsten”, zegt hij. „Het heeft een open relatie tot de wereld.”

Hij is niet de enige tachtiger die opeens weer middenin de belangstelling staat. Kijk naar Armando (85), die dit jaar een eigen museum kreeg in Oud-Amelisweerd en nu een solo heeft in het Kröller-Müller Museum. Net als herman de vries wordt hij bovendien in het New Yorkse Guggenheim Museum op de grote Zero-tentoonstelling geëerd als een van de oprichters van de Nulbeweging.

Of kijk naar Marinus Boezem, dit jaar tachtig geworden, die in de Amsterdamse Upstream Gallery een selectie toont uit een oeuvre dat inmiddels een halve eeuw omspant. Stuk voor stuk zijn dat humoristische en lichtvoetige werken, die nog altijd even fris en jeugdig ogen als toen ze gemaakt werden. Ook de pubers van nu zullen moeten grinniken om Boezems Piss Project uit 1969, een fotoserie waarop te zien is hoe de kunstenaar in Bergen aan Zee een glas zeewater opdrinkt om het vervolgens weer te lozen in het IJsselmeer.

Boezem noemde zijn werk, en dat van zijn onlangs overleden kameraad Ger van Elk, ‘unsaleable art’. „Omdat ik dacht dat het godsonmogelijk was om dit soort kunst te verkopen”, vertelde hij mij eens. „Het ging ons om de ideeën. Wat ons betreft kon je overal kunst maken. Er zat ontzettend veel vrijheid in ons werk. Je onbelast voelen, daar ging het om. We wilden ons bevrijden van het korset van de musea en de galeries.”

Die radicaliteit siert het werk van deze generatie nog altijd. Juist nu, in een tijd waarin de prijzen voor kunst krankzinnige proporties hebben aangenomen, is hun conceptuele, anti-glamoureuze kunst weer urgent. Terwijl veel jonge kunstenaars veilig binnen de lijntjes blijven werken en navelstaarderig nadenken over de eigen positie – zie de Open Ateliers van de Rijksakademie dit jaar – sieren zij de covers van de kunstbladen en de cultuurbijlages. De tachtigers zijn de rebellen van de eenentwintigste eeuw. Omdat ze nog altijd doen waar ze zin in hebben, ongeacht of daar een markt voor is.

„Als je het ver wilt schoppen als kunstenaar”, zei Boezem, „moet je een enorme arrogantie hebben. En bij die arrogantie hoort dat de meeste mensen het niet mooi moeten vinden. Anders ben je niet goed bezig.”