De nieuwe generatie treedt aan ?

In de artistieke leiding van de grote toneelgezelschappen wisselt de wacht: vijftigers en zestigers maken plaats voor dertigers en veertigers.

Het is inmiddels een rituele rondedans: elke vier jaar, als een nieuwe ‘kunstenplanperiode’ opdoemt aan de horizon, begint in de theatersector de speculatie over de negen rijksgesubsidieerde gezelschappen, hun artistiek leiders en hun nut en noodzaak. Komend jaar moeten de gezelschappen hun plannen schrijven voor de volgende subsidieperiode (2017-2020), en dat leidt zoals altijd tot innovatiedrift. Maar in plaats van dat het blijft bij veel gepraat en mooie plannen, zijn er dit keer daadwerkelijk grote veranderingen aan de gang. Met gevoel voor drama zou je zelfs kunnen zeggen dat sprake is van een aardverschuiving.

Het meest zichtbaar is die in de leiding. Vijf, mogelijk zes van de negen hebben onlangs een nieuwe artistiek leider gekregen of krijgen die binnenkort. Bij Toneelgroep Maastricht, het Zuidelijk Toneel, De Utrechtse Spelen en het Nationale Toneel maken vijftigers en zestigers plaats voor dertigers en veertigers. Rotterdam verruilt weliswaar Alize Zandwijk (53) voor Johan Simons (67), maar met de stellige belofte dat er onder hem een jonge artistiek leider voor het Ro Theater komt.

Dat toont meteen de tweede grote verandering: de structuur gaat op de schop. Bij het traditionele model van de grote gezelschappen staat een sterke, artistiek allesbepalende regisseur aan het hoofd. Hij of zij maakt de belangrijkste voorstellingen in de grote zaal, en daarnaast is wat ruimte voor gastregisseurs en jonge talent. Rotterdam doorbreekt die structuur, met een regisserende intendant van een fusiegezelschap, daaronder een aantal (jongere) makers met uiteenlopende artistieke signatuur, en bovendien de ambitie om internationaal te coproduceren, waardoor gastregies en internationale uitwisseling een sterker stempel drukken.

Ook Maastricht neemt een gok, met twee jonge regisserende acteurs aan het roer. Servé Hermans en Michel Sluysmans kennen hun beperkingen (weinig ervaring als regisseur in de grote zaal), maar vertrouwen op de energie van een jonge club en sterke samenwerkingsverbanden met ervaren partners.

Het Zuidelijk Toneel doet het weer anders door een soort ‘super-productiehuis’ te worden: dankzij stevige allianties sterk geworteld in de regio, veel ruimte en begeleiding voor een aantal jonge talenten, die zich verbinden aan een stad, en een niet-regisserende intendant, Piet Menu, aan het hoofd.

Zo beginnen de gezelschappen zich ook nadrukkelijker te onderscheiden. „Ieder groot gezelschap zou een uniek bestaansrecht moeten hebben”, verwoordt Servé Hermans het.

De jonge regisseur Sarah Moeremans, een mogelijke kandidaat voor de eventuele opvolging bij het NNT, vindt dat de structuur van de gezelschappen op de schop moet. Minister Bussemaker geeft nog geen gehoor, maar van binnenuit zijn interessante veranderingen in gang gezet. Het begin is er.